Kattengerochel

Nerveus stond ik voor de deur te wachten tot hij geopend werd. Ik had geen idee wat ik kon verwachten. Ik was er maar gewoon op uitgestuurd zonder ook maar enige achtergrondinformatie over het persoon dat ik zo zou aantreffen. Aan wie ik ook was toegewezen, ik moest het er maar mee doen.
‘Hij is open!’ hoorde ik na even wachten een zware shag-stem roepen.
Toen ik over de drempel stapte drong een geur van onverschoonde kattenbak mijn neus binnen, samen met nog wat andere vreemde, onidenfiticeerbare luchtjes.
De smalle hal was volgepropt met enorme kasten waar overal spullen uitpuilden. Hij had ergens wel een soort kapstok, maar dat was meer een bananendoos volgepropt met jassen. Ik hield mijn jas liever aan, voorlopig. Dat puntige, roestige voorwerp wat net daarnaast uitstak, ongeveer op armhoogte, was ook niet bepaald uitnodigend. Ik hield werk en privé liever gescheiden, dus ik wilde het voor zo ver mogelijk voorkomen om nare infecties mee naar huis te nemen.
De weg door de gang had vele hindernissen. Ergens beneden stak er nog eens een stalen buis uit, waar ik me lelijk aan stootte. Ik kon het niet helpen dat ik behoorlijk wat spullen aan moest raken om door die gang heen te komen, maar ik zat in ieder geval onder de vegen. Ik vond ook een dikke haarbal op de schouder van mijn jas. Op een van de planken zag ik een hoop gereedschap liggen dat onder de plakkerige, gele zooi zat en hij was zo te zien gek op roestig ijzer en muffige nepbontjassen.
Uiteindelijk had ik me dan toch naar de deur van de huiskamer geworsteld, en terwijl ik in mijn hoofd een onheilspellend muziekje neuriede, deed ik de deur open, bang voor wat er ging komen.

De gordijnen waren gesloten, en het waren erg dikke gordijnen, dus er was weinig licht, behalve dat van de keuken en de tv. ‘Daar zit ergens een lichie’, bromde de man met zijn krakende stem. Ik zocht met mijn hand naar de lichtknop, de muur plakte.
Wat een deprimerend huis, zag ik toen de lichten aanwaren. Alles was donker, grauw en vergaan. De man die in de stoel zat was zelf ook vergaan. Hij zat onderuitgezakt in een oude, versleten fauteuill met een oude, versleten kat op schoot. Hij was halfkaal, en de paar lange, dunne slierten die hij nog had zaten over zijn hoofd gekamd. Hij had een nogal opmerkelijk baardje, want het was alsof hij een paar stukken vergeten was weg te halen. Zijn enorme aardbeienneus spande de kroon.
‘Nou, je bent in ieder geval redelijk om aan te zien’, zei hij toen hij genoeg tijd had gehad om me te bekijken. ‘Tsja, het oog wil ook wat’. Hij lachte uitbundig, en dat ging al gauw over in een gehoest wat voor mijn gevoel een paar minuten duurde.
‘Nouja eh… ga zitten zou ik zeggen’, piepte hij toen hij was uitgehoest. Ik keek om me heen en vroeg me af waar ik kon gaan zitten, maar toen zag ik een stoel waar ik wel een stapel papieren vanaf kon halen. Hij strekte even zijn arm uit om zijn pakje shag te pakken en een gemene wond op zijn arm werd zichtbaar.
‘Hoe komt u aan die wond?’ vroeg ik.
‘Ja er zit zo’n roestig ding in de gang joh, die eh…’ mompelde hij.
‘Ja, die had ik gezien. Daar kun je een ernstige infectie aan oplopen hoor’, waarschuwde ik. ‘Daar moet je mee naar de dokter.’
‘Ach’, zei hij hoofdschuddend, ‘al dat gezeik’
‘Een armamputatie is ook best een gezeik’, zei ik streng.
‘Nou, daar ben jij toch voor, om al dat gezeik niet meer te hebben?’
‘Voor zover mogelijk wel, maar ik ben nu eenmaal geen tovenaar… of een dokter. Ik ben van de thuiszorg.’
‘Ja, zo ver was ik ook nog wel. Ik laat niet zomaar iedere jonge, lekkere griet in mijn huis.’ Nogmaals lachte hij overdreven hard om wat hij zei, al snapte ik het niet helemaal. Waarom zou je zo hard lachen als je weet dat je vervolgens twee minuten half aan het stikken bent? Maarja, hij was ook wel héél grappig.
De kat die op zijn schoot zat rochelde gezellig met hem mee. Hij kuchte terwijl zijn tong uit zijn bekje stak, en die kon er ook wat van. Ze stopten tegelijk met hoesten.
‘Dus, misschien kunt u iets vertellen over uw leefsituatie?’ vroeg ik. Het was niet mijn bedoeling dat het er zo formeel uitkwam.
‘Mijn leefsituatie… ach ja, eh, wat kan ik ervan zeggen?’ lachte hij. Hij pakte een glas van het tafeltje naast hem en nam een slok, waarna hij een vies gezicht trok. Naast het glas stond een halflege fles vodka. ‘Ik zit hier een beetje enneh… voel me niet zo fit… en de koelkasten beginnen een beetje te stinken, enzo.’
Oké, daar kon ik wel wat mee. Het was gewoon een oude, luie alcoholist die altijd in die stoel zat en zijn huis liet vervuilen, en wat hulp nodig had. Dat ging vast gezellig worden.

‘Alles waarvan je denkt, “wat moet je ermee”, mag wel weg’, zei hij toen ik met een rol vuilniszakken de huiskamer binnenkwam.
‘Zoiets als al die puntige, roestige voorwerpen in de gang?’
‘Nee, die heb ik nog nodig!’
‘Waarvoor dan?’ Ik kon niet echt bedenken wat een vent die de hele dag op zijn stoel zat nu nog een keertje met roestige voorwerpen van plan was.
‘Ja gewoon, onderdelen… Komen ze misschien nog halen…’
Ik kon me eigenlijk geen enkel persoon op de wereld voorstellen dat iets kon met die puntige roestige voorwerpen, of met zijn plakkerige gereedschap. Die vent had in ieder geval zijn wodka, zijn kat en zijn afstandsbediening, dat was alles wat hij nodig had.
‘Als je hier bent om me van de alcohol af te helpen, dan zal ik je de moeite besparen: gaat niet gebeuren’, had hij beslist gezegd. Het zij zo. Die vent was waarschijnlijk altijd al een liefhebber geweest. Het was een beslissing voor het leven.  Daar ging een of ander thuiszorghulpje hem echt niet vanaf praten. ‘Oké, prima’, had ik geantwoord. ‘Als jij doodgaat krijg ik wel weer een andere baan.’
‘Zo is het maar net, wat maakt het ook allemaal uit?’, hij nam nog een extra grote slok uit zijn glas. ‘Niet alsof iemand me zou missen…’
‘Dat weet je niet, misschien heb je wel massa’s aanbidders!’ zei ik bemoedigend.
‘Ik zal je es vertellen… ooit stonden ze voor me rij.’ Gelukzalig staarde hij voor zich uit terwijl hij terugdacht aan lang vervlogen tijden.

De koelkast was het ergste deel. Hij zat zo volgepropt dat er een stoel voor stond om hem dicht te houden. Toen ik de stoel weghaalde viel er een deel van de inhoud op de grond, en de keuken werd vervuld van een geur waar een paard van flauw zou vallen. ‘Ja, dat had ik misschien moeten zeggen’, riep de man vanuit zijn stoel. Hij hoeste, blijkbaar was de geur ook al bij hem aangekomen. ‘Eigenlijk kan dat hele ding wel weg.’
‘Heb je geld voor een nieuwe koelkast?’ vroeg ik.
‘Nee.’
Er zat helaas niets anders op, ik móest hem wel opruimen. Ik moest moeite doen om niet over te geven terwijl ik kilo’s oud, bedorven vlees tegelijk in een vuilniszak propte. Het scheelde dat er plastic omheen zat, maar dat hield de geur niet tegen en ik kon de krioelende maden er doorheen voelen, zelfs al had ik handschoenen aan. Wat die vent met een hele koelkast vol vlees en vis dat al vijf jaar over datum was moest, wist ik niet. Wat hij er ooit mee had gemoeten wist ik ook niet. Hij had duidelijk een lesje nodig in efficiënt boodschappen doen.

Op een dag vroeg hij of ik zijn yahtzee-spel wilde pakken. ‘Oh, daar heb ik nu geen tijd voor, hoor’, zei ik snel. Mijn werkdag was bijna voorbij en ik wilde zo snel mogelijk weg uit zijn stinkhuis.
‘Ach ik heb jou toch ook niet nodig’, snauwde hij. Nou ja, daar zou zijn inmiddels niet meer geïnfecteerde arm waarschijnlijk anders over denken.
‘Met wie wilde je het dan gaan spelen? Je kat?’ Ik betwijfelde ten zeerste of die kat het aan zou kunnen om zich zo in te spannen, als hij al met dobbelstenen kon gooien. Dat beest was echt aan zijn einde. Hij was broodmager, zat onder de kale plekken en hij hoeste de hele dag door. Het was me inmiddels heel erg opgevallen dat ze altijd samen hoestten, die twee. Begon de een dan begon de ander. Ik was blij dat ze niet allebei haarballen uitkotsten, maar het scheelde niet veel.
‘Gewoon, met m’n eigen’. Ik haalde mijn schouders op en gaf hem zijn yahtzee-doos. Vervolgens ging hij in zijn eentje dobbelsteentjes gooien. Hij deed het wel écht tegen zichzelf, want hij schreef om de beurt op twee papiertjes zijn punten op, zodat hij in ieder geval nog een spannende competitie had.
‘Doe je dat vaak? In je eentje yahtzee spelen?’ vroeg ik.
‘Zie jij hier mensen met wie ik het kan spelen?’ zei hij droevig lachend. ‘Nee, ik ook niet.’
‘Dan nodig je toch iemand uit. Iedereen staat toch te springen op dat soort verzoeken. Heb je geen vrienden?’
‘Genoeg! Cees en Ben bijvoorbeeld… Enneh’, hij keek nadenkend de kamer in. Misschien was hij hun namen vergeten. ‘Dat zijn in ieder geval goeie vrienden.’
‘Wanneer heb je die voor het laatst gezien?’
‘Je bent wel een nieuwschierige hè, jij’ proestte hij, terwijl hij misvormd naar me knipoogde. ‘Geeft niet hoor, ik vind het wel leuk.’
‘Nou?’ dramde ik door. ‘Wanneer?’
‘Euh… Dat zal wel zo’n vier jaar geleden zijn…’
‘Dan bel je ze toch gewoon eens op. Dan maak ik je huis in orde’, zei ik, wetend dat dat nog véél moeite ging kosten. ‘en dan nodig je ze uit en dan doe je alsof je gewoon normaal bent.’
‘Weet je wat’, zei hij, iets minder chagrijnig dan normaal, ‘misschien doe ik dat wel.’
‘Oké!’ zei ik triomfantelijk. ‘Nou, tot morgen!’
‘Daaag wijffie.’

Toen ik de volgende dag bij hem kwam zat hij op zijn stoel, met zijn kat. Hij had de tv niet aan. Hij had geen wodka. Hij zat starend naar de muur en het enige geluid dat af en toe de stilte doorbrak was een zacht kuchje van zijn kat of van hem.
‘Alles goed?’ vroeg ik opgewekt. Ik was altijd al een ochtendmens geweest.
‘Ben is dood’, viel hij met de deur in huis. ‘Had net Cees aan de lijn… Verder wilde hij weten wanneer hij die onderdelen kon komen halen.’
‘Euhm, de onderdelen?’ vroeg ik verschrikt.
‘Je weet wel, die roestige voorwerpen waarover je de hele tijd hebt zitten zeiken.’
Oeps… ‘Die heb ik weggegooid.’
Hij sperde zijn ogen wijd open en greep de stoelleuningen vast. Het was dat het voor hem net iets teveel moeite koste om uit die stoel te komen, anders had hij dat waarschijnlijk wel gedaan. ‘Wát heb je gedaan?’ zijn stem kraakte heviger dan normaal doordat hij in paniek was.
‘Kom op, wat moet iemand daar nou mee? Je hebt mazzel dat je die arm nog hebt! Als het echt belangrijk is regel ik wel nieuwe.’
‘Nieuwe?’ zijn stem sloeg over van ongeloof, wat weer een kleine hoestbui veroorzaakte. ‘Die dingen waren onvervangbaar! Weggegooid… je hebt echt géén idee wat je je op de hals hebt gehaald… Godgodverredomme… Nou, we gaan het zien.’

Het hele weekend had ik een knoop in mijn maag. Niet zozeer omdat ik me zorgen maakte over Cees en de missende roestige onderdelen. Als ik Cees mijn welgemeende excuses aanbood en zou voorstellen om zijn roestige onderdelen te vervangen, dan zou dat toch wel genoeg moeten zijn? Nee, ik was meer bang voor wat ik zou aantreffen als ik weer op mijn werk verscheen. Hoe serieus zou hij het genomen hebben? Hij leek doodsbenauwd toen ik vertelde dat ik ze weg had gegooid. Dan kon het wel tussen zijn oren zitten, maar dat maakte toch niet veel uit voor de manier waarop hij er mee omging.
Weer stond ik nerveus voor zijn deur. Ik had de laatste tijd juist het gevoel dat hij wat was opgewarmd, het was af en toe zelfs bijna gezellig te noemen. Hopelijk was hij niet weer terugveranderd in zijn oude, norse zelf, vanwege die ene kleine fout.

Zijn deur stond altijd open, maar ik vond het toch prettiger om te wachten tot hij ‘binnen!’ riep. Dat kostte hem misschien enige longkracht, maar ik had in het verleden al genoeg ongemakkelijke akkefietjes meegemaakt door zomaar ergens binnen te walsen. Dat ging me mooi niet nog eens gebeuren! Dit keer duurde het alleen wel erg lang tot hij ‘binnen’ riep, dus ik ging er vanuit dat hij minstens een beetje kribbig zou zijn. Ik moest het er maar op wagen.
‘Hallo!’ riep ik alvast de gang in. Geen reactie. Jeetje, moest ik nou echt op mijn knieën gaan zometeen? Hij bekeek het maar. Ik kwam hier toch niet om vrienden te maken, maar om zijn huis leefbaar te maken! Hij had zijn arm maar mooi aan mij te danken! Dat ging ik die Cees dan ook maar mooi vertellen. Laat hem lekker zelf al zijn ledematen verliezen met zijn roestige troep! Hoelang hadden ze elkaar al niet gesproken? Vier jaar? En nu is het ineens van levensbelang dat hij zijn troep terugkrijgt? Nou, mooi niet.
Hmm, ik zou toch zweren dat ik de hindernissen in de gang tot een minimum beperkt had voor ik wegging op vrijdagmiddag. Blijkbaar had hij alles weer overhoop gehaald, misschien in de hoop nog ergens een klein roestig schroefje te vinden, of zo.
Zoals gewoonlijk zat hij in zijn stoel, maar dit keer vond ik hem er wel erg ongemakkelijk bij zitten. Een leeg glas in zijn ene hand, in zijn andere een gedoofde sigaret die vooral uit askegel bestond. Zijn ogen waren gesloten. Ik ging meteen van het ergste uit, maar ik zag dat hij nog ademde, al was het nog maar net. Dat hij piepte was wel normaal, maar zó erg, dat had ik nog nooit gehoord. Zijn voorhoofd was koud en zweterig en het beetje braaksel op zijn hemd viel me nu pas op. Dit was waarschijnlijk niet goed.
Terwijl ik op de ambulance wachtte, keek ik eens rond in de kamer. Zouden ze wel genoeg plek hebben voor een brancard? Waar is die vieze, oude kat eigenlijk? Ik keek eens rond of ik hem kon vinden, maar hij was nergens te bekennen. Misschien was hij ergens in een hoekje gekropen om dood te gaan. Het zou eens tijd worden. Ik besloot de hindernissen in de gang maar vast weer uit de weg te ruimen.
Een kwartier later was de ambulance er eindelijk. Ze hadden bepaald geen haast als het om oude alcoholisten ging. Misschien waren ze nog wel even gestopt om een hamburgertje te bestellen.

Mijn werkgevers zeiden dat ik het beste gewoon verder kon gaan om het huis in orde te maken, voor het geval dat hij thuiskwam. In het ziekenhuis kon ik toch niet veel voor hem betekenen, hij was nu in de handen van de artsen. Als ik het leuk vond kon ik van de week wel even langs gaan, lachten ze, alsof het een belachelijk idee was om iets aardigs voor iemand te doen zonder ervoor betaald te krijgen.

Twee dagen later ging ik bij hem op bezoek. Het was een beetje vreemd om zijn kamer binnen te lopen en niet meteen bedwelmd te worden door de vieze oude rook- en alcohollucht die normaal om hem heen hing. Nu rook hij alleen nog maar naar zieke oude man.
Hij zag er slechter uit dan ooit tevoren. Mager, diepe kringen onder zijn ogen.
‘Je hebt geluk, hij is sinds vanochtend van de beademing af. Hij zal zo wel wakker worden voor zijn middageten,’ ze wees naar een klef papje wat op het kastje naast zijn bed stond.
Wat ongemakkelijk ging ik naast het bed zitten. Ik had altijd al moeite met ziekenhuizen, zelfs met mensen die ik heel mijn leven kende. Deze man kende ik pas een paar weken. Wat moest ik doen als hij ineens besloot om dood te gaan? Zijn hand vasthouden? Zeggen dat het allemaal wel goed zou komen? Misschien moest ik er maar gauw vandoor sluipen…
Zijn ogen gingen een stukje open. Het duurde even voor hij mij in het vizier kreeg.
‘Kkh…. k-k-‘  stotterde hij.
‘Wat?’ vroeg ik, en ik kwam dichterbij.
‘Kat…’ piepte hij met al zijn energie.
‘Het spijt me, ik weet niet waar je kat is… ik heb het voerbakje nog gevuld maar hij heeft er niet uit gegeten… ik ga nog wel even goed zoeken in de buurt…’
‘Cees!’ Er klonk een slijmerige hoest en een hoop gerochel. Als ik dit zo hoorde ging het niet heel lang meer duren… en nog maakte hij zich druk over die verdomde Kees, ongelofelijk.
‘Bel Cees!’
Allemachtig. Als dat zijn sterfwens was, vooruit, dan belde ik die Cees wel. ‘Goed, ik bel hem, beloofd!’ stelde ik hem gerust.

‘Ja, hallo’, hoorde ik aan de andere kant van de lijn.
‘Ehm, hallo, spreek ik met Cees?’
‘Dat leg eraan wie het vraag’, antwoordde hij geheimzinnig.
‘Ik ben de thuishulp van -‘ begon ik.
‘- Ik zie al hoe de steel in de vork zit,’ kapte hij me af, ‘hij zei al dat z’n hulp ze weg had gegooid, maar ik zeg, jongen, het is jouw verantwoordelijkheid. Jij zou erop passen terwijl ik in de bak zat. Dat ie de verantwoordelijkheid bij een ander neerleg, dat is z’n eigen pakkie an.’
Ging dit nou serieus weer over die vervloekte onderdelen?
‘Meneer, hij kan er echt weinig aan doen. Hij heeft juist nog nadrukkelijk gezegd dat ik het niet weg mocht gooien, maar hij was al bijna zijn arm kwijt door die rotdingen -‘
‘Ja, da’s nie mijn probleem’, lachte hij.
‘Nou, dat denk ik wel. Ik kan die rotdingen niet terugkrijgen. Ik kan hoogstens nieuwe voor u regelen’, bood ik aan. Het was misschien een enorme lummel, maar ja, hij had wel in de bak gezeten. Geen idee waarvoor, maar ik wilde toch liever geen schuld bij hem hebben staan.
‘Nieuwe regelen? Onmogelijk. Je zorgt maar dat je ze terugvindt. Als die ouwe zijn kat tenminste ooit nog levend terug wil zien. Mag ‘tie wel opschieten, trouwens, want dat beest kan het volgens mij ieder moment begeven’. Hij liet een ook zeker indrukwekkende pieplach horen, maar die verbleekte duidelijk naast die van zijn oude vriend.
Dat bedoelde hij dus in het ziekenhuis. Cees had zijn oude kat gegijzeld? Vanwege wat oud, roestig ijzer?

‘Ik moet zeggen, dit is wel een beetje ongebruikelijk,’ was het oordeel van mijn werkgever, ‘en wat mij betreft mag je hier gewoon vanaf stappen. Zolang hij in het ziekenhuis ligt kan je niks doen, en het schoonmaken van het huis is ook wat nutteloos als je niet weet of hij ooit nog thuiskomt. Ik kan je voor morgen nog aan iemand anders toeverwijzen, je wilt natuurlijk geen uren missen.’
Natuurlijk had ik niet kunnen verwachten dat ze me door zouden betalen als ik op zoek ging naar oude onderdelen om de gegijzelde kat van een bijna dode man te redden. Wat zou het ook eigenlijk uitmaken? Dadelijk had ik dat rotbeest terug en dan gingen ze beide een dag later dood. Maar ik baalde bijna nog het meest van die walgelijke koelkast. Ik had dat hele ding met al mijn uithoudingsvermogen schoon geschrobt, en hij zou misschien nooit meer gebruikt worden. Waarom had ik eigenlijk niet gewoon een goedkoop tweedehandsje voor hem gehaald in een kringloop? Die twintig euro had ik toch echt wel over om niet urenlang in de krioelende maden te hoeven graven.
In ieder geval, en ik wist niet waarom, voelde ik toch wel een soort plicht om de twee weer bij elkaar te brengen. Zelfs al zouden ze direct samen sterven. Het was toch ergens mijn schuld, ik had immers de oude spullen weggegooid.

De container achter het huis was nog niet geleegd, dat was in ieder geval een meevaller. Misschien was hij zelfs voor de vuilnismannen te goor, want al van meters ver was de stank zó intens dat je er van ging kokhalzen. De felle zon die er dagen op had gestaan had ook niet echt meegeholpen. Voor de vliegen was het echter een groot feest. Met zijn duizenden draalden ze om de container heen, op zoek naar een ingang.
Terwijl ik mezelf bewapende met mijn mondkapje, wist ik al dat die me nauwelijks zou bijstaan. Dit was een reis die ik alleen moest afleggen.
Zeker weten of ik dit zou overleven dat wist ik niet, maar als ik hier doodging, in die rottende vleescontainer, dan was ik in ieder geval een nobele daad gestorven. Ik had me mijn einde altijd iets charmanter voorgesteld, maar goed, het was nu eenmaal even niet anders.
De containerdeur ging met een zwaai open. Mijn lichaam wist gewoon eerder dan ik dat ik moest overgeven. Een mix van zure brokken en slijm vulde mijn mondkapje en liep er langs alle kanten uit. Die kon ik ook wel weggooien. Nu stond ik er echt alleen voor. Voorovergebogen graafde ik tussen de warm geworden zakken met maden, wanhopig op zoek naar wat daaronder lag. Ik kon niet diep genoeg. Bovendien was er teveel. Ik moest de zakken uit de container halen en tijdelijk op de grond neerleggen. Al dat braaksel wat mijn lichaam uitstootte zorgde er in ieder geval voor dat ik de maden niet zo goed kon zien, maar ik kon ze nog wel langs mijn handen voelen glijden. Ik kon er nog steeds niet bij. Er zat niks anders op.
Het was erg waarschijnlijk dat ik hier ging sterven, dacht ik. Ik was immers al omsingeld door de rottende stank van de dood. En de kots. En de vliegen. Maar toen had ik eindelijk de bodem bereikt. Ik haalde me gemeen open aan een scherp, roestig voorwerp. Het was niet voor niets geweest. Ik greep wat ik grijpen kon, sprong de container uit en rende voor mijn leven. De rottende zakken vlees op straat achterlatend.

Toen Cees nietsvermoedend de deur opendeed, sloeg hij hem meteen met een klap weer dicht.
‘Jezus, wat is dat?’
‘Ik heb je roestige voorwerpen’, zei ik met alle trots, en één voor één gooide ik ze door de brievenbus.
‘Het is niet compleet’, mopperde Cees. Als dit allemaal voor niets was geweest, dan zou ik mezelf van kant maken. ‘Maar goed, ik haal die rotkat wel, zolang je maar zo ver mogelijk van mijn voordeur vandaan gaat met die walgelijke stank.’
‘Waarvoor heeft u die roestige voorwerpen eigenlijk nodig?’ riep ik door de brievenbus.
‘Nergens voor. Sentimentele waarde.’

De kat wilde nauwelijks met me mee. Zelfs voor dat oude beest was ik te walgelijk. Maar niet alleen dat. Het leek er ook op dat hij het liefst een rustig plekje op wilde zoeken om te sterven. Hij was magerder dan ooit en zijn gepiep was nog nooit zo erg geweest. Uiteindelijk kwamen we samen levend aan bij het ziekenhuis. Het leek erop dat ik te laat was. Er hing een dode rust in de kamer. Het enige waaruit bleek dat hij nog leefde, was het gepiep van de machines waar hij aan zat. Toen de kat zag wie er in het bed lag, sprong hij met een kracht die ik nooit verwacht had uit mijn armen en op het bed. Bij het eerste liefdevolle miauwtje werd de man wakker en zat plotseling rechtop in het bed.
‘Mijn liefste oude vriend!’, juichde hij, en hij proestte feestelijk. Twee dagen geleden had hij nog nauwelijks kunnen praten, maar nu hij herenigd was met de kat leek hij ineens weer vol levenskracht te zitten.
‘Het is een wonder’, zei de zuster. ‘Sorry dat ik het zeg, maar ik had u toch echt afgeschreven.’
Ik ook, dacht ik. En die kat ook. Maar ook het beestje leek weer zijn oude zelf. Niet dat dat nou per se iets goeds was, maar blijkbaar kon het nog slechter. Zouden de twee van elkaar afhankelijk zijn? Ik herinnerde me ineens dat ze altijd tegelijk aan het hoesten waren. Een paar dagen van elkaar gescheiden zijn had ze bijna het leven gekost, en nu leek er ineens niets meer aan de hand.

‘Dus, wat moet een man doen om hier een glaasje wodka te krijgen? Haha, je ruikt trouwens een beetje naar mijn oude koelkast! En wat hebbie voor wond op je arm?’

Folkert

Folkert,

Ten eerste wilde ik even zeggen dat het niet mijn bedoeling was om je zo voor gek te zetten bij je vrienden. Ik snap dat je een imago hebt om hoog te houden, en als je vriendin zich dan zo losbandig gedraagd door op de bar te gaan dansen en vergeten is dat ze geen ondergoed draagt, dan snap ik dat dat enige gêne teweeg brengt.
Toch wil ik je er even op wijzen dat jij degene bent die me gevraagd heeft om geen ondergoed te dragen, dus ik zou het fijn vinden als ook jij een deel schuld voor je rekening neemt, hoe moeilijk het ook mag zijn met dat immens grote ego van je. Bovendien wist je allang wat voor vlees je in de kuip had, dus je had dit wel kunnen zien aankomen. Voortaan moet je je dat maar bedenken, voor je weer iemand uitnodigt om deel uit te maken van je verschrikkelijke korpsballenavond.
Ik raad je dan ook aan om het de volgende keer in een andere hoek te zoeken, aangezien je mijn soort toch niet kunt waarderen. Dit voorkomt teleurstellingen voor beide partijen.
Het was leuk voor zolang het duurde. Misschien tot ziens.

Groetjes,
Kim.

De olifantenmuts

Vastleggen in volledig scherm 30-11-2015 183212.bmp

Als je graag de indruk wilt wekken dat je je voedsel in je mond kunt stoppen zonder je handen daarvoor te gebruiken, dan is deze muts echt iets voor jou! Met deze blikkenvanger steel je gegarandeerd de show, en het is weer eens wat anders dan de veel voorkomende emo-pandamuts.

Net als de huid van een olifant voelt de muts een beetje stug aan, maar wees niet bang: er zijn geen echte olifanten voor mishandeld, en het is gemaakt van uit elkaar vallend kunstwol, dus hartstikke vegan verantwoord! Zo ziet iedereen in één oogopslag dat je een echte dierenvriend bent! De muts heeft zoals je ziet slagtanden, maar daar heb je minder aan dan dat het eruit ziet. Er zitten geen spieren in de muts die je aan kan spannen en bovendien zijn de slagtanden erg buigzaam en zacht, dus als je de intentie hebt iemand te slachten, raad ik je aan om je eigen tanden te gebruiken, of anders een hakbijl. De hakbijl zit helaas niet bij de muts inbegrepen, maar die kun je vinden in de meeste doe-het-zelf zaakjes of in het tuinhuisje van je vader.

Waar vind ik zo’n prachtige hoofddeksel?
Deze muts komt van een kraampje in de Jaarbeurs Utrecht, tijdens de Mega Record & CD Fair, die twee keer per jaar plaatsvindt. Op het prijskaartje staat het geheimzinnige woord ‘Merchandise’. Officieel kost deze muts €9,99, maar omdat ze graag hun kraampje af wilden sluiten voor de dag en we maar langzaam alle mutsen bleven overwegen (welke dierenmuts vertegenwoordigt het beste ons karakter?), kwamen ze met het onweerstaanbare voorstel: vier mutsen voor €10,-!

Hier is hun webshop:
www.holeinthewallposters.com
Al heb je daar niet bijster veel aan als je deze muts zoekt. Die staat namelijk helemaal niet op de site. Maar je kunt er wel mooie koffiemokken vinden.

 

 

 

Killer Samurai Sudoku #7

Het was een van de maandelijkse vaste eetavonden van onze vriendengroep. Goed verzadigd zaten we al een geruime tijd na te tafelen en er waren al enkele flessen alcohol versleten. Voor de zoveelste keer dreigden onze glazen leeg te raken, wat natuurlijk uit den boze was, en er werd onrustig heen en weer geschuifeld door alle aanwezigen. Het idee alleen al dat iemand van ons zodadelijk een slok zou willen nemen en dat dat niet direct mogelijk was, was beangstigend. “Jij bent aan de beurt”, zei Klara, die tegenover me zat, tegen haar man. Hij wierp haar een vuile blik toe en stond op.
“Wat?” snauwde ze tegen ons. “We gaan gewoon netjes het kringetje af, hoor.”
Mijn man en ik keken elkaar aan. “We zeggen toch niets?”
“Weet je wat het probleem is?”, zei de man van Klara, toen hij terugkwam met een dienblad vol gevulde glazen. “Het is heus niet dat ik niet wil opstaan, ik weet namelijk best dat ik aan de beurt ben, maar de toon waarop jij me erop wijst, die bevalt me niet. Je wilt graag doen alsof je de macht over me hebt tegenover je vrienden.”
“Wat is dat nou weer voor onzin?” lachte Klara spottend. Ze nam een slok uit haar glas en trok een vies gezicht. “Jezus. Wat is dit voor bocht? Hoe vaak moet ik je nou nog zeggen dat ik DROGE witte wijn drink, geen ZOETE? Dringt er ooit iets door in dat zaagselhoofd van jou?”
“Dit bedoel ik dus, Klara. In plaats van dat je me er rustig op wijst dat ik een vergissing heb gemaakt…”
“Zal ik je er anders even op wijzen, schat, dat je die vergissing al zo’n vijfhonderd keer gemaakt hebt? Is het dan zo moeilijk om te onthouden wat voor drankje je eigen vrouw lekker vindt?” Ze zuchtte overdreven en richtte zich toen tot mij. “Wat voor wijn heb jij?”
Ik nam een slok. “Droge”, zei ik en hief daarna mijn glas op naar Klara’s man. “Heerlijke wijn, bedankt.”
“Zie je, van haar weet je het wel”, zei ze beschuldigend. “Maar ja, ik zal er geen probleem van maken, ik drink deze gore zoete troep wel gewoon op, zo ben ik dan ook wel weer. Ga maar zitten.”
Hij ging zitten en keek nors voor zich uit. Hij was nooit echt een fan geweest van onze etentjes, omdat hij eigenlijk niet echt bij onze vriendengroep hoorde, maar nou eenmaal de man van Klara was. Het was meer een verplichting. O wee als hij een keertje niet aanwezig was… dan kreeg hij het wel te horen van Klara. Ik was het stiekem best met hem eens dat ze altijd naar tegen hem deed als wij er waren en het was absoluut niet zo dat ik haar daar cooler door ging vinden. Eigenlijk wilde ik haar er graag op aanspreken, maar ik wilde liever de vrede bewaren en me vooral zo min mogelijk met andermans huwelijk bemoeien.
“Hallo zeg, er zijn ook nog mensen die wel van zoete witte wijn houden, hoor”, zei Lara. “Fijn dat je mijn drinklust probeert te bederven.”
“Ach, je bent sowieso al bedorven van binnen als je dat drinkt voor je plezier”, zei Klara.
Mijn man en ik keken elkaar aan en lachten. Niet omdat we het grappig vonden wat Klara zei, maar omdat we in elkaars ogen konden lezen dat het de hoogste tijd werd om op te stappen.
“Schat?” zei ik op mijn allerliefste stem tegen mijn man.
“Ja, wij moeten er vandoor he?” zei hij.
“Ja… wil jij anders…”
“Alvast de stoelverwarming aanzetten?” maakte hij mijn zin af. “Natuurlijk, lieverd, ik wil niet dat je straks koude billen krijgt!”
Ik gaf hem een zoen en zei: “Je kent me ook zo goed! Ik verzamel je spullen wel even.”
“Je bent geweldig.” Hij stond op, ging achter me staan en sloeg zijn armen om me heen. “Ik ben ook zo rommelig, maar mijn schat weet altijd waar ik alles heb gelaten. Nou, dag jongens, het was me weer een waar genoegen!” Hij liet me los en verliet de eetkamer van Klara.
“Ik ga naar bed. Dag iedereen”, zei Klara’s man. Nu mijn man weg was, met wie hij het nog redelijk kon vinden, was er voor hem niemand meer echt de moeite waard om te blijven zitten en ook hij verliet de ruimte.
“Hoe doen jullie dat toch?” vroeg Klara. “Jullie zijn zo perfect… Vullen elkaar geweldig aan… Het is om misselijk van te worden.”
Ik verbaasde me er ook over. Vooral als ik keek naar hoe Klara en haar man altijd tegen elkaar deden. In iedere simpele conversatie die ze voerden leken wel hatelijke opmerkingen verborgen te zitten. Oke, Klara was dan wel een zeikerige trut, maar eigenlijk leken de meeste stellen die ik kende meer op hen, dan op ons. Misschien was het onze gezamelijke passie die ons op zo’n manier deed verbinden. Misschien dat, als we beiden niet zoveel van sudoku’s hadden gehouden, er van ons ook niet veel meer overbleef dan een hoop gesnauw en ergernis, maar ik kon het me eigenlijk niet voorstellen. We waren nu eenmaal voor elkaar bestemd, daar kon niets of niemand iets aan veranderen.

Toen mijn man de volgende dag thuiskwam van zijn werk, gooide hij zes kranten op tafel. “Alsjeblieft, schat. De allernieuwste.”
“Dank je wel!” zei ik. “Daar zat ik op te wachten. Ik heb tegen elven vanochtend de laatste uit Killer Samurai Sudoku #7 afgemaakt… Ik had echt niets meer te doen! Ik moest als afleiding gaan computeren… Jezus, wat saai! Wat doet iedereen toch op zo’n ding? Waar zijn jouw kranten eigenlijk?”
Hij ging naast me op de bank zitten en keek me aan met een bezorgde blik. “Ik hoop dat je het niet erg vindt, maar ik heb de mijne allemaal al op mijn werk gemaakt… Ik kon me weer eens niet inhouden.”
“Natuurlijk vind ik dat niet erg. Als je maar niets voorzegt!” zei ik toen ik zag dat hij meekeek naar de eerste sudoku uit de Metro-krant die ik zojuist had aangebroken.
“Ik zal me er niet mee bemoeien”, beloofde hij en hij zette de tv aan. “Staat hij te hard? Kun je je wel concentreren?”
“Ja hoor”, zei ik. “Alsof zoiets onbenulligs als een tv me kan afleiden van waar het werkelijk om draait.” Ik lachte bij dat stompzinnige idee en begon ijverig en verheugd de missende getallen in te vullen, al waren de sudoku’s die in de metro verschenen een eitje voor zulke vergevorderde sudokuliefhebbers als ik.

Twee weken later viel er een brief van de Metro op de deurmat. Ik was razend benieuwd naar wat het kon zijn, maar ik wilde hem eigenlijk niet openen voor mijn man thuis was. Misschien had hij me wel op de een of andere manier willen verrassen door naar de Metro te schrijven hoe gepassioneerd ik over sudoku’s was en had hij zo een interview kunnen regelen, zodat ik al mijn ervaringen en gevoelens over mijn passie met de wereld kon delen. Indien dat het geval was, wilde ik de brief op zijn minst samen met hem openen zodat ik verbaasd, dankbaar en smoorverliefd in zijn armen kon vallen.
Omdat de spanning me teveel werd en ik al een uur naar het Metro-Logo op de brief had zitten staren, ging ik op bezoek bij Klara om afleiding te zoeken, al was ze niet de allerbeste afleiding die een mens kon hebben. Bovendien was ik helemaal niet afgeleid, want de brief bleef maar door mijn hoofd spoken. Klara was helemaal niet enthousiast. “Waarschijnlijk is het gewoon spam”, zei ze. “Wind je toch niet zo op, mens.”
“Ze sturen helemaal geen spam. Het moet iets belangrijks zijn. Iets wat mijn man voor me heeft geregeld…”
Plotseling stond Klara op en keek boos op me neer. “Weet je, ik ben je eigenlijk hartstikke zat. Waarom probeer je het er de hele tijd zo in te wrijven dat jullie zo’n perfect stel zijn en wij niet?”
“Maar…” stamelde ik. “Dat probeer ik helemaal niet! Echt niet!”
“Dat doe je wel! Het is constant ‘mijn schatje dit, mijn liefje dat, kijk wat hij voor me heeft gedaan, kijk hoe goed we bij elkaar passen’… BAH! Je vraagt nooit hoe het met mijn relatie gaat… Wil je het weten? Die is RUK”, schreeuwde ze, terwijl de tranen over haar wangen begonnen te stromen.
“Weet je waarom je relatie ruk is, Klara?” zei ik boos, terwijl ik ook ging staan. “Omdat je een negatieve bitch bent die alles stom vindt en alleen maar loopt te klagen! Heel cool hoor, die constante fuck-you houding, maar het zorgt er wel voor dat je uiteindelijk niemand overhoudt!”
Ik stampte weg en ik was niet van plan om ooit nog terug te keren. Die strontvervelende maandelijkse etentjes kwamen me sowieso mijn neus uit. Ik kon mijn tijd veel beter benutten met sudoku’s maken.

Toen ik thuiskwam, stond mijn man meteen op van de bank, hij liep naar me toe en knuffelde me stevig. “Lieverd! Ik heb geweldig nieuws!” Ik was lichtelijk teleurgesteld toen ik de geopende brief van de Metro op tafel zag liggen. Hij had me dus niet willen verrassen, maar als hij had gedacht dat ik dat wel had willen doen, vond hij het blijkbaar veel minder belangrijk om zoiets samen open te maken.
Ik maakte me los uit zijn omhelzing. “Wat dan?”
“We hebben een weekendje in de Franse Ardennen gewonnen! Door onze sudoku-inzending!”
Eindelijk. Al die jaren van trouw elke dag twee Metro’s kopen zodat we allebei een sudoku hadden, al die jaren trouw ons antwoord doorsturen, had ons nu dan toch beloond.

Daar zaten we dan, in de Franse Ardennen. Midden in een prachtig, stil, verlaten bos. Het was hier zo heerlijk rustgevend, er waren geen afleidingen, geen vervelende straatgeluiden, geen irritante huishoudelijke taken om te verrichten… Hier konden we ontspannen.
Dit leek me het perfecte moment om mijn sudoku vakantieboek erbij te pakken, die ik alleen aanbrak voor dit soort speciale gelegenheden, maar toen ik hem uit mijn tas haalde, pakte mijn man hem af. “Lieve schat… we zijn samen op vakantie. Vind je niet dat we eens wat aandacht aan elkaar moeten besteden?” vroeg hij, en met een veelbetekenende blik kwam hij dichterbij om me te zoenen. Mijn eerste gedachte was hem wegduwen en mijn boek weer terugpakken, maar ik besloot om niet te protesteren, hij had ook eigenlijk wel gelijk… er waren nog andere dingen in het leven dan sudoku’s.
Even later lagen we hijgend naast elkaar op bed. Ik kon me eerlijk gezegd niet herinneren wanneer de laatste keer was dat dat was gebeurd. “Zie je nou wel, schat? Geeft dat niet veel meer voldoening dan ontdekken welk cijfertje waar moet?” vroeg hij gelukzalig.
“Ja…” zei ik, maar terwijl ik het zei besefte ik dat het niet waar was. Wat ik normaal altijd deed als mijn man en ik klaar waren in de slaapkamer, was mijn sudokuboek pakken en dan maakten we er samen een, maar op dit moment leek dat niet het juiste om te doen. Ik voelde een soort druk om alleen maar samen met hem te zijn, maar eigenlijk had ik geen idee wat ik nu tegen hem moest zeggen. Hij blijkbaar ook niet. We lagen een halfuur zwijgend naast elkaar en ik voelde me ontzettend ongemakkelijk. Op een gegeven moment werd het me teveel en liep ik naar de woonkamer.

Toen hij even later op de bank kwam zitten en hij zag dat ik mijn boek weer had gepakt, zei hij: “Schat…” Ik zuchte, legde mijn boek neer en keek hem afwachtend aan. Er viel een doodse stilte. “Mooi hier, he?” zei hij. “Ja”, antwoorde ik. “Heel… rustig.”
Plotseling hoorden we een harde bons op de deur. “Wat was dat?” zei ik paniekerig.
“Ik weet het niet, schat… vast niks bijzonders…” zei hij, maar hij klonk niet gerust, zijn stem trilde. “Zullen we gaan kijken voor de zekerheid?” We stonden op en slopen naar de deur. Plotseling vielen alle lichten uit, ik kon geen hand voor ogen meer zien. Terwijl mijn man door het kijkgaatje in de deur gluurde, klonk plotseling het geluid van brekend glas in de woonkamer. Van angst en schrik piste ik in mijn broek. “Shit, er is hier iemand!” huilde ik. “Dit was een val!”
“Dat is belachelijk”, zei mijn man. “Het zijn gewoon inbrekers. We moeten wegwezen.” Gewoon inbrekers, midden in een verlaten bos? Ik vond het erg onlogisch klinken, maar er was geen tijd om erover te discussieren, we moesten wegwezen, en snel ook. Halsoverkop renden we de deur uit en onwillekeurig schoten mijn gedachten even naar mijn sudokuboek, maar mijn leven redden was op dit moment belangrijker.

Toen we de longen uit ons lijf hadden gerend en we zeker wisten dat we niet of niet meer gevolgd werden, stopten we. “Wat doen we nu?” vroeg ik. “We staan midden in een donker bos, we weten de weg niet, het dichtstbijzijnde dorp is veertig kilometer verderop… dat redden we nooit.”
Mijn man dacht even na. “Je hebt gelijk. We gaan dood als we in dit bos verdwalen… Misschien moeten we teruggaan. Als ze iets wilden stelen zullen ze dat inmiddels wel gedaan hebben.”
Ik vond het doodeng, maar het was inderdaad onze beste optie. We hadden geen telefoons bij ons, geen portemonnee. We konden hier niets beginnen, zelfs al kwamen we levend aan in een dorp. We begonnen terug te lopen en keken behoedzaam om ons heen. Mijn hart bonsde heftig en de cijfertjes dansten voor mijn ogen. Toen ons vakantiehuisje in zicht was verstopten we ons even in de bosjes en wachtten we af of we iets hoorden of zagen, maar het leek volkomen stil en verlaten. Ik keek mijn man aan en hij knikte.
Voorzichtig naderden we het huisje en we gingen naar binnen. Net toen we hadden vastgesteld dat er niemand meer was, hoorden we de voordeur dichtslaan. Ik klampte me aan mijn man vast en luisterde naar de zware, naderende voetstappen.

“Nu heb ik jullie… eindelijk”, zei een man die we nog nooit van ons leven hadden gezien. Hij was rond de veertig jaar, schatte ik, met verstrooide, grijze haren en een wilde blik in zijn ogen. Toen hij gemeen grijnsde kwam er een rij bruine, afgebrokkelde tanden tevoorschijn. Hij hield een pistool op ons gericht en hij kwam dreigend dichterbij. “Hebben jullie een fijne wandeling gemaakt?”
Ik wist niet zo goed wat ik daarop moest antwoorden. Het was geen fijne wandeling geweest en dit was niet bepaald wat ik me had voorgesteld van een ontspannen weekendje in de Ardennen. Ik besloot dat ik maar het beste mijn mond kon houden.
“Geen fijne wandeling? Oh, dat is jammer… Ik dacht, laat ik eens wat spanning in jullie leven brengen! Dat hebben jullie wel nodig, geloof ik. Walgelijke sudokumensen… Als er iets is wat ik haat zijn het wel sudoku’s. Ik moest ze vroeger altijd maken van mijn moeder, als ik stout was geweest… Dan werd ik opgesloten in een kleine kamer zonder ramen, met als enige vermaak een sudokuboekje. Als ze me weer vrijliet en ze vond dat ik er te weinig had gemaakt, sloot ze me gewoon weer op.”
Dat was toch geen straf? Het leek me juist helemaal het einde, voor eeuwig in een kamertje zitten met alleen maar sudoku’s, maar dat kon niet, er waren altijd weer van die dingen die zo onbelangrijk leken maar die toch moesten gebeuren…
“Zoiets zouden we nooit iemand aandoen”, zei mijn man, alsof het iets heel ergs was. “Wij zouden anderen nooit lastigvallen of pijn doen met onze hobby.”
“Ik heb eens zitten denken, he… Als niemand een sudoku zou maken en niemand de oplossing op zou sturen, zou er niets aan de sudoku’s in de krant verdiend worden”, vertelde de man. “Omdat jullie ze maar blijven invullen en iedere keer betalen in de hoop dat jullie iets winnen, blijven ze steeds maar weer geplaatst worden, waardoor IK ze de hele tijd te zien krijg. Jullie vallen wel degelijk anderen lastig met jullie hobby. Weet je wel niet hoeveel pijn het doet om iedere keer weer aan mijn jeugd herinnerd te worden?” De man schreeuwde inmiddels.
Ik betwijfelde ten zeerste of het zo werkte, maar het leek me geen slim idee om tegen hem in te gaan. “Het spijt ons”, zei ik. “Dat was niet onze bedoeling. We zullen nooit meer de oplossing versturen, goed?”
“Fout antwoord…”, zei hij dreigend. “Ik denk dat ik de juiste oplossing heb gevonden. Eens even kijken… ik heb een geladen pistool in mijn hand. Zometeen zullen jullie nooit meer in staat zijn een sudoku op te lossen. Hmm… wat mist er nu nog om dit plaatje compleet te maken?”
Mijn man en ik waren compleet versteend en we konden hem alleen maar aanstaren. “Jeetje”, zei de man verveeld. “Voor een stel gevorderde sudokufreaks zijn jullie niet bepaald snugger. Zal ik het antwoord dan maar zeggen? Het enige wat er nog mist, is dat jullie hersenen nog niet uit elkaar gespat zijn en ik vrees dat ik daarvoor toch echt de trekker moet overhalen. Ik kan die sudokuhoofden van jullie niet meer aanzien.”
Ik zakte op de grond en begon geluidloos te huilen. “Je hoeft dit niet te doen”, smeekte mijn man. “We zullen nooit meer een sudoku aanraken, dat beloof ik je. Ik vond ze toch al nooit zo leuk.”
Ik kon mijn oren niet geloven. Op het laatste moment van zijn leven, verraadde hij datgene wat hij lief had gehad. Dit ging hem zeker een enkeltje hel opleveren.
“Wat zeg je nou?” zei ik beledigd. Ik kon mijn woede en verbazing niet voor me houden, zelfs al stond er een geschifte man in de kamer die een pistool op me richte.
“Het spijt me lieverd, maar…” hij draaide zich naar mij toe. “Ik hou helemaal niet van sudoku’s. Eerlijk gezegd vind ik ze oersaai en deed ik alleen maar alsof, om jou het bed in te krijgen… en toen bleek het heel je leven te zijn. Ik vond het wel lekker rustig… Af en toe een sudokuutje maken had ik er wel voor over om bij je te zijn.” Ik zag heus wel dat hij het moeilijk vond en dat hij van me hield, maar dit kon ik hem niet vergeven. Heel mijn leven, heel ons leven samen, bleek een leugen te zijn.
“Je deed ze zeker ook helemaal niet op je werk, he…” het viel me ineens op hoevaak hij die truc wel niet had gebruikt zodat hij lekker tv kon gaan zitten kijken terwijl ik, even vastberaden als altijd, alle sudoku’s in de krant invulde. Nu pas begreep ik waarom.
“Nee… Het spijt me, lieverd… Dit is jouw passie, niet de mijne. Ik dacht gewoon… Ik dacht gewoon dat je me alleen maar leuk vond omdat je dacht dat ik ook van sudoku’s hield.” Ik wilde ertegenin gaan, maar ik kon het niet, want hij had gelijk. Nu ik wist dat we in werkelijkheid niets met elkaar gemeen hadden, voelde ik alleen maar nog maar afschuw.
Ik was even vergeten in welke situatie we ons op dit moment bevonden en ik keek naar de man die in de woonkamer had gestaan, maar hij was verdwenen. Hij had ons ongeschonden laten gaan.

Nou ja, ongeschonden? Blijkbaar was het feit dat hij onze band voorgoed had verpest goed genoeg voor hem geweest, omdat hij wist dat er voor mij nu ook een eeuwige vloek op de sudoku lag. Iedere keer dat ik er een probeerde te maken werd ik weer herinnerd aan die vreselijke nacht in de Ardennen, de nacht dat mijn hele leven uit elkaar viel. Iedere keer als we weer aan de tafel zaten bij Klara, kon ik alleen nog maar snauwen tegen mijn man en in iedere simpele conversatie die we voerden zaten hatelijke opmerkingen verborgen. Iedere keer als ik iets in mijn hoofd op een rijtje probeerde te zetten, raakte ik alleen maar meer in de war, alsof ik een sudoku was die niet klopte.

Een memorabel logeerpartijtje

Bij een innige beste vriendinnen-schaps band horen vele logeerpartijtjes. Soms bij de één, soms bij de ander.
Een opmerkelijk logeerpartijtje wat ik me nog kan herinneren alsof het gisteren was, was die met Nonie.
We waren een jaar of elf. Met mijn zus sliepen we in een kamer. Er werden verhalen verteld, leraren opgebeld en nog veel meer van dit soort praktijken. Maar een ding miste er en dat was snoep, chips en ijs.
Desbetreffend voedsel was aanwezig in het huis. Het was echter allang bedtijd geweest en mijn vader zat op dat moment in de woonkamer tv te kijken.
Dit betekende dat we zo stiekem mogelijk de kasten moesten plunderen. We verzonnen een perfect afleidingsmanouvre.
Met zijn drieën slopen we naar de keuken. De één zette de kraan keihard aan, de ander liep de woonkamer in om mijn vader te verrassen met een heus optreden. Hard en vals werd er voor hem gezongen, zodat de derde persoon ondertussen ongemerkt iets uit de kast kon pakken.
Keer op keer deden we dit. Afgewisseld door mijn zus en ik werd mijn vader steeds gestoord in zijn tv-programma door onze prachtige stemmen. Ondertussen hadden we een hele voorraad aan snoep, chips en ijsjes te pakken gekregen.
Even later ging mijn vader lopen met de hond. Wij zagen natuurlijk onze kans schoon om nogmaals de kast te plunderen, maar toen ik één van de gesnaaide koekjes in mijn mond stak om hem op te eten, stikte ik erin. Mijn zus deed de heimlich greep op me en ik braakte op de grond. Snel moesten we het opruimen om niets te laten merken. Het logeerpartijtje was hiermee tot een tragisch eind gekomen.

Tabblad

Tabblad, oh, tabblad.
Ik ben het zo zat.
Je stapelt je op
Oh tabblad, please, stop.
Zonder genade
Nog meer tabbladen.
Tabblad, oh, tabblad.
Ik ben het zo zat.

Krik krak

Ik wist niet of hij het expres deed of niet, maar het kon hem nooit ontgaan zijn dat het heen en weer bewegen van die gammele oude schommelstoel de ruimte van luid gekraak voorzag en dat niemand die meerdere uren per dag in die ruimte moest staan werken daar erg blij van kon worden.
Helaas was het mijn baas die dat gekraak veroorzaakte met zijn dikkige oude lijf iedere keer wanneer hij een beweging maakte, en was ik maar een simpele werknemer die zijn mening koste wat het kost voor zich moest houden, hoe zwaar ik ook op de proef werd gesteld.
Af en toe wierp ik hem een blik toe die hij ook moeilijk niet kon opmerken, als ik hem was geweest had ik hem de hele tijd in mijn richting voelen branden. Hij daarintegen besteedde er geen enkele aandacht aan, of scheen er juist zijn energie uit te putten om eens extra lekker heen en weer te wiebelen en zijn stoel uitbundig te laten kraken.
Het liefst zou ik hem hardhandig zijn stoel uittrekken, zijn dikkige lijf tegen de vloer smijten en dat stomme houten krakende bouwsel kort en klein trappen en vervolgens in de fik steken, maar dat zou me mijn baan kosten, en die kon ik dan jammer genoeg weer niet missen.
Het koste me nu al genoeg moeite leuke cadeautjes voor mijn vriendinnetje te betalen. Mijn cadeaus waren meestal maar van matige kwaliteit en als ik dan eens met een nieuw truitje aankwam was het goedkoop en dan zei ze wel zachtjes dankjewel, maar ondertussen wist ik dat haar gierige hartje naar meer verlange en dat ik haar met mijn maandsalaris nooit gelukkig kon maken, wat cadeautjes betrof.
Wat ook niet erg meehielp was dat haar beste vriendin sterk afstak wanneer ze naast elkaar liepen, met haar peperdure kleren en haar stoere assecoires. Zij was de vrouw van die monsterlijke oude kwal in die schommelstoel en ook al stond ik al het werk te doen en zat hij heen en weer te wippen, toch kon hij het zich veroorloven haar te verwennen en daar moesten ik en mijn vriendinnetje de dupe van zijn. Of nou ja, als ze gewoon haar smoel erover hield was er voor mij niets aan de hand geweest, maar natuurlijk, het was een vrouw, en ik was de man, dus was het mijn taak leuke dingen voor haar te kopen. En ja, als ik dat niet kon waarmaken, dan moest ik daarvoor boeten. Met andere woorden, ik moest dodelijke blikken te verduren krijgen, teleurgestelde zuchten aanhoren en wat nog het allerergste was: de triomfantelijke blikken van de baas die lekker op zijn luie reet zat de godganse dag.

Dat ze zelf nou eens ging werken, dat was er natuurlijk niet bij. Het was een meutige muts die niks kon, ze liet alles vallen en kon niet tegen snauwende mensen, dus wat dat betrof was het niet de sterkste oproepkracht. Maar goed, ik hield van haar, dus vond ik dat ik dat maar voor lief moest nemen, en met staart tussen de benen stond ik stil voor het krakende gevaarte.
‘Lóónsverhoging? Ben je nou helemaal? Zie eerst maar eens dat je je werk goed doet, oelewapper!’ Klachten over de kwaliteit van de snacks die ik dag in dag uit stond klaar te maken had ik echter nooit gehad, ik ploegerde en stond zwetend van het harde werk in de hete keuken, dus er viel niets te klagen, maar ik besefte dat een baas van zijn leeftijd waarschijnlijk niet veel anders te doen had dan een beetje vitten op zijn sloeberige werknemer, en als hij me een loonsverhoging had gegeven zou ik daar beter tegen hebben gekund, en dat was natuurlijk niet de bedoeling, dat was dan ook wel weer te begrijpen.
Toch kon ik niet laten me, met pijn in mijn hart, af te vragen hoe het geweest was als wij tweeën in vrede hadden samengewerkt, en af en toe stomme grapjes over klanten hadden kunnen maken.
Wat mij betrof had die veel te oude kwal het recht niet zich zo verheven te voelen boven iedereen, was zijn vriendinnetje veel te jong en veel te mooi, en wachte ik verheugd op de dag dat hij spartelend van zijn stoel af zou vallen en zou sterven zodat ze samen gecremeerd konden worden. Maar ik wachte maar en wachte maar, en begon me steeds meer af te vragen of die dag ooit wel zou komen, die man leek wel onverwoestbaar.
Hoe oud hij was wist ik niet, ik had ooit een keer de fout gemaakt ernaar te vragen en na me eerst een kwartier de huid vol gescholden te hebben hoe onbeleefd ik wel niet was had hij gezegd: ‘Leeftijd. Puh. Daar doe ik niet aan.’ Dat was iets wat alleen oude mensen konden zeggen, wist ik.

Na die gefaalde poging om om loonsverhoging te vragen ging het werken me niet beter af. Ik had mijn klauwen die dag al drie keer gebrand aan de frituurpan en liep als het maar even kon met mijn vingers in een koud bakje water rond, waardoor ik weer extra halve seconden tijd verloor om te werken.
Om het net nog even een beetje erger te maken, kwamen die dag onze vriendinnetjes langs; die van mijn baas en die van mij, dus. Ze waren natuurlijk in de winkelstraat verderop aan het shoppen en ze moesten centjes hebben. De luidruchtige vriendin van de baas liep vrolijk ons begroetend voorop in haar dure pakje, terwijl mijn vriendin er wat stilletjes achteraanslenterde in een stuk minder indrukwekkende voorkoming. Terwijl haar vriendin op haar baas afhuppelde en hem snel van wat briefgeld wist te ontfutselen, bleef zij wat onzeker in het midden van de winkel staan. Ze wist dat ik haar niks kon geven en dat ik waarschijnlijk op mijn donder kreeg als ik onder werktijd ‘met meiden aan het vozen was’, dus wist ze dat ze beter niet naar me toe kon komen om me een zoen te geven en fatsoenlijk hallo te zeggen.
Ik daarintegen vond dat ik hoe dan ook op mijn donder kreeg en kwam achter de toonbank vandaan, maar voor ik haar bereikt had, duwde hij zijn prinsesje een beetje naar zijn andere knie en de schommelstoel kraakte meer dan ooit tevoren, terwijl hij riep: ‘HO HO HO meneer! Waar denk jij dat je mee bezig bent?!’
Ik bleef verstijfd staan en antwoordde een beetje beschaamd: ‘Hallo zeggen tegen mijn vriendin.’
‘Dat doe je maar lekker in je eigen tijd. Je mag die vriendin van je wel eens beter behandelen, zo ga je toch niet met een mooie dame om? Kijk eens hoe ze erbij loopt man, wil je dat op je geweten hebben?’
Nee, dat zou haar zeker goed doen. Ze voelde zich al als een kamerplant wanneer ze samen met haar jolige vriendin was, en dat wilde hij natuurlijk nog even extra benadrukken.
Ik zag haar gezicht vertrekken, en ik kon niets zeggen om haar beter te laten voelen, wat niet onopgemerkt bleef. ‘Wat sta je daar nou man? Je bent de grootste nietsnut die ik ooit heb gezien. En dat werkt dan bij mij. Wat moet er toch met deze zaak gebeuren als ik de pijp uitga?’ De man had, gek genoeg, helemaal geen famillie meer om voor hem te zorgen, dus storte hij zijn hele bestaan maar op het zitten kraken in zijn zielige bedrijfje waarmee hij nog net genoeg centen verdiende om zijn meisje tevreden te houden, en om zijn resterende tijd maar gevuld te hebben kon hij mij mooi lastigvallen. Klonk als een droom.
Ik liep maar weer terug naar de plek waar ik thuishoorde, achter de balie, terwijl mijn baas zei: ‘Ja, dat zou ik ook doen, ga jij maar weer aan je werk, dan doe je tenminste nog iets goed. Je bent blijkbaar nog niet klaar voor een vriendin’, waarna hij zich tot mijn vriendin wendde en zei: ‘Koop jij ook maar iets leuks voor jezelf’, en hij drukte haar ook een bijzondere stapel briefgeld in de onzeker uitgestoken hand.

Dit was de druppel. Niet alleen stond ik hiermee ongelofelijk voor paal, (“Werknemer laat zijn baas betalen voor vriendin”), maar hiermee verklaarde hij mij tot in de eeuwigheid de oorlog.
Ik kon mijn gezicht niet meer vertonen. De zelfvoldane blik van die oude gek, die zichzelf blijkbaar een hele piet voelde terwijl hij gewoon een oude zeurpiet in een krakende schommelstoel was, de gemixte blik van vermaak en ongeloof op het gezicht van de vriendin van de baas, die hiermee ook in een aardig vreemde positie gezet werd, en de verdenerde maar enigzins gevleide uitdrukking van mijn vriendin, omdat ze zich nu toch kon verheugen op een dag waarop ze kon doen en laten wat ze wilde, zonder als een meisje zonder doel in de stad achter haar vriendin aan te lopen, terwijl die van alles van de rekken graaide en zij alleen maar kon zeggen: ‘oh nee, ik kijk alleen maar..’ terwijl ze beiden dondersgoed wisten dat ze geen geld had.
Moest ik blij zijn voor haar dat ze nu iets leuks kon doen? Ik wist het niet. Had ik moeten zeggen dat ze het geld niet aan mocht nemen? Had ik mijn eigen portomonnee moeten trekken en haar geld moeten geven, en het dan diezelfde week nog komen teruglenen, omdat ik dan geen geld meer zou hebben om van te leven, waarin ze dus in feite toch alles wat ze nu uitgaf zelf betaalde?
Eigenlijk was niets goed, maar dit zeker niet. Hij ging hier niet mee wegkomen.

Wat het nog erger maakte, was dat toen de meiden weg uit de zaak waren, mijn baas zei: ‘we gaan sluiten voor vandaag. Ga maar naar huis, je hebt je voor vandaag wel genoeg voor schut gezet.’
Ik kon er niets tegenin brengen, want het was waar, ik was nu eenmaal een loser, maar was hij niet degene die mij voor schut had gezet? Had ik niet gewoon normaal even met mijn vriendin mogen smoezelen terwijl hij de zijne op zijn schoot had in zijn schommelstoel? Dan was de rest, dat gebeuren in de stad enzo tussen die twee meiden, niet mijn zaak geweest, en ook niet die van hem.
Ik graaide zonder veel terug te zeggen mijn spullen bij elkaar en verliet de zaak, doodmoe van deze zware werkdag, mijn verbrande vingers gloeiden nog een beetje. Misschien droeg het feit dat mijn vingers zich dolgraag om de nek van de baas wilden sluiten en hem te wurgen daaraan mee. Hoe dan ook was ik blij dat ik naar huis kon, om even verlost te zijn, maar het aantreffen van mijn stralende vriendin op de bank met tientallen tasjes om zich heen zoog dat kleine geluksmomentje direct weer weg.
Ik moest de neiging onderdrukken ze weg te grissen en te verbranden, want wie was ik, als zij zich zo graag wilde laten verwennen door een vieze oude knar? Wat had ik daar tegenin te brengen, als ik het zelf niet kon? Als ze maar wist dat het iets eenmaligs was.

Maar dat was het dus niet. Steeds vaker schoof hij haar stiekem ook wat toe, als hij dacht dat ik even niet oplette. Steeds vaker kwam ze thuis met nieuwe kleding, sieraden, schoenen, waarvan ik wist dat ze gefinancieerd werden door een zeker iemand. En op een nacht toen ik haar uitkleedde en ik een veel te sexy setje aantrof onder haar nieuw geurende kledij, sloegen alle stoppen door. Hij ging te ver. Ik heb haar van me af geduwd en ben linea recta naar de zaak gereden, waarop ik eindelijk die verschrikkelijke schommelstoel onder handen nam. Het gekraak was heviger dan ooit tevoren terwijl ik trapte, sprong, en de adrenaline door mijn lijf pompte. Dit was wel het minste wat ik kon doen. Ik wist dat hiermee mijn werkdagen geteld waren, maar ik kon geen moment langer met deze constante vernedering leven.
Niets was erger dan je vriendin te vinden in lingerie die door iemand anders was betaald. Ik kon geen enkele blik, geen enkel pesterig woord meer van hem verdragen.

De ochtend die daarop volgde nam ik niet eens meer de poging om op te staan en op tijd te komen, maar dat was ook niet nodig. De vriendin van de baas stond vroeg op de stoep, huilend, met de mededeling dat die nacht haar man was overleden aan een hartstilstand. Het was thuis gebeurd, rond een uur of één… precies wanneer ik in een vlaag van woede naar de zaak was gereden om de stoel van het leven te beroven.
Ik was de enige die wist wat dit betekende, het leven van de oude man had aan een zijden draadje gehangen, en was even kwetsbaar geweest als dat van de krakende stoel. Ze waren één. Wat betekende dat ik een moordenaar was, en ik was er trots op, hij had het verdiend.

Natuurlijk werd mij gevraagd de zaak over te nemen omdat we daar altijd met zijn tweeën waren, waarmee ik ook meteen genoeg geld had mijn vriendin én die van hem blij te maken met allerlei cadeaus. Ik nam een knechtje aan en behandelde hem net zoals ik behandeld werd, hij was ook gewoon verschrikkelijk stom en onhandig. En terwijl ik op een nieuwe, oerlelijke groene plastic stoel zat te vitten op mijn werknemer besefte ik dat ik geen haar beter was dan mijn voormalige baas, en dat hij tenminste nog een krakende schommelstoel had om anderen in te irriteren. Die van mij maakte geen kik, hij kon niet eens schommelen, en volgens mij lachte mijn werknemer me uit achter mijn rug terwijl hij mijn beide vriendinnen afpikte zonder er ook maar een cent voor tevoorschijn te halen. Ik was een geboren mislukking.

Beperkt bestaan voor slordige personen

Eens in de zoveel tijd gebeurt het weer eens dat ik mijn portemonnee of mijn identiteitsbewijs kwijtraak. Het lijkt wel alsof alles waar ik goed op moet passen op een gegeven moment gewoon een eigen leven gaat leiden en zelf besluit om te verdwijnen zodat ik weer een heleboel geld moet betalen. Sleutels, telefoons en portemonnee’s houden het bij mij nooit lang uit.

De eerste keer dat dit mij gebeurde had ik geluk: er waren geen andere pasjes bij betrokken en ik was alleen mijn ID kwijt. Even later vond ik hem zelfs weer terug, ergens in huis, maar toen had ik natuurlijk allang een nieuwe. Dus stopte ik mijn oude en mijn nieuwe identiteitsbewijs in een portemonnee. Daar zaten ze een tijdje met zijn tweeen tot ik mijn portemonnee weer kwijtraakte.
De volgende dag werd ik gebeld door de politie: ze hadden hem gevonden. Maar waarom had ik er twee? Ik kon hem die dag op komen halen helemaal in Rotterdam Zuid.
Ik was ontzettend brak en ik had niet geslapen dus ik voelde me nog helemaal wazig en alsof ik van alles fout aan het doen was. Waar je je op zo’n moment gewoon niet wilt bevinden is in een politiebureau.

Mijn oude identiteitsbewijs werd ingenomen. We waren weer met zijn tweeen. Mijn identiteitsbewijs en ik tegen de wereld. We waren dolgelukkig samen. Alhoewel ik er op die foto uit zag alsof ik uit een TBS-kliniek was ontsnapt.
Helaas, de chaotische kwijtraakziekte bleef niet ongenadig en even later raakte ik weer mijn portemonnee kwijt. Toevallig had ik net die dag mijn bankpas en ov-chipkaart los in mijn tas gestopt, maar de rest was ik kwijt. Onder andere het pasje wat ik het minst graag wil kwijtraken: mijn ID. Alweer.
De laatste keer dat ik hem zag was in mijn portemonnee, ik zat op een bankje en haalde er een vloetje uit. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ik zo dom was om hem daar te laten liggen, maar ik zou het anders ook niet weten. Hij was gewoon verdwenen.

Toen ik weer (eindelijk, na maanden) een nieuwe ID ben aan gaan vragen, werd er aardig pissig gereageerd. “Dit is al je derde vermissing, he”, zei een chagrijnige baliemedewerkster.
“Ja, weet ik”, antwoordde ik. Vertel mij wat.
Na iedere vraag en kort antwoord viel er een stilte. Er was toetsenbordgetik te horen. De mevrouw liet duidelijk merken dat ze mijn slordige gedrag niet kon waarderen.
Nu bleek het ook nog eens zo te zijn dat als ik hem nog een keer kwijt raak, het zomaar zou kunnen gebeuren dat me een paspoort geweigerd kan worden. Wat dus betekent dat ik de EU niet meer kan verlaten.

Iedere keer dat ik een nieuwe ID heb aangevraagd, heb ik keurig een boete betaald. Dus waar is dit nou weer voor nodig? Verdienen slordige, chaotische mensen het niet om de wereld te verkennen? Blijkbaar kunnen ze het zomaar maken om je af te sluiten voor een heel groot deel van de wereld, alleen maar omdat zij verzonnen hebben dat je geen dingen kwijt mag maken.
Ik vind het ook niet leuk om dingen kwijt te raken, elke keer weer hetzelfde verhaal. Alles lijkt zomaar te verdwijnen terwijl ik het dan drie seconden eerder nog in mijn handen gehad heb. Maar heb ik als chaotisch persoon niet al genoeg te lijden?
Een tijd lang geen toegang tot clubs, het niet meekrijgen van drank en sigaretten. Dan ben je twintig, maar dan heb je er niets aan. Vooral niet met die nieuwe drank en tabaks wet – al werd ik daarvoor vaak ook al voor vijftien aangezien in de supermarkt.
Steeds maar weer nieuwe sleutels, telefoons, pasjes enzovoorts moeten halen, iedere keer paniek voelen wanneer ik erachter kom dat het weer zover is en dan straks ook nog eens een beperkt bestaan. Tenminste, ik ga er vanuit dat ik hem ooit nog wel een keer kwijt raak. Niet dat ik zo’n gigantische reizigster ben, maar toch, misschien ooit.

Gelukkig heb ik volgende week weer een ID en voor een pasfoto is de foto best oke. Ik kan weer overal naar binnen, ik hoef niet meer persee plekken te mijden waarvan ik weet dat er om legitimatie wordt gevraagd, ik hoef niet meer moeilijk te doen om sigaretten of alcohol te krijgen, daar gaat het om. Om de rest maak ik me later wel een keer druk. Als ik hem weer kwijt ben.

Het aftervakantiesyndroom

Paniek. Chaos. Intens verdriet. Enkele gevoelens die in mij opkomen wanneer ik na twee welverdiende weken vakantie weer naar school moet.
Het is nou niet bepaald dat ik uitgerust weer op school kom. Het is natuurlijk allemaal heel jofel om feestdag na feestdag in een vakantie te proppen (heb je in ieder geval wat te doen), maar dagenlang drinken gaat je niet in de koude kleren zitten. Natuurlijk kies ik daar zelf voor. Alhoewel, met kerst en oud en nieuw ben je wel een soort van verplicht, het lekkere eten wordt je voorgeschoteld en het lekkere drinken naar binnengegoten. De katers blijven zich maar opstapelen tot je aan het eind van de vakantie nog verrotter bent dan daarvoor.
En dan moet je weer naar school. Alle vakantie en feestdagenvreugde is als sneeuw voor de zon verdwenen op het moment dat je beseft dat het leven vol verplichtingen weer begint. Met moeite vorm je je om twee uur  ’s middags opstaan systeem weer om tot een vroeg naar bed, vroeg opstaan ritme. Iets waar ik, waarschijnlijk voor de rest van mijn leven, moeite mee blijf hebben. Ik begin er vol goede moed aan, gemotiveerd en al, maar dan zwakt het langzaamaan weer af.
’s Avonds denk ik geen enkele moeite te hebben met het opstaan van de komende ochtend. ’s Ochtends vervloek ik mezelf iedere keer weer, want oh, wat is mijn bed toch fijn. Waarom ik me ’s avonds nooit besef hoe fijn mijn bed is, dat weet ik niet.
Op school aangekomen is het alsof de vakantie, met al zijn feestelijke feestelijkheden, nooit heeft plaatsgevonden. Iedereen is hetzelfde, iedereen doet hetzelfde en aan niemand is te merken dat ze niet lang geleden gezellige feestdagen hebben doorgebracht en dronken, intens gelukkig en vol goede moed het nieuwe jaar hebben ingeluid. Sterker nog, iedereen is down. Want de vakantie is voorbij. Het enige sombere vooruitzicht: school, school en nog meer school. Ergens in de verste verte schijnt een lichtpunt: de volgende vakantie.

Kerstverhaal: “Pas op met wat je wenst.”

In de lucht was een atmosfeer van blije kinderen voelbaar. Honderden pakjes had de kerstman al bezorgd. Hij liep zelfs een poosje voor op schema en zo kon hij dus even genieten van een welverdiende pauze, waarin hij tijd had om zich onder het genot van een kop dampende koffie te verbazen over de merkwaardige wensen die kinderen van tegenwoordig hadden.
Wat moest een jongentje van zes met een iPhone? Spelletjes op spelen? Ach ja, als zijn ouders het goedvonden moest hij de wens maar vervullen. Hij wist zich nog te herinneren dat kinderen vijftien jaar geleden door het dolle heen waren toen ze hun splinternieuwe brickgame uitpakten en dat was voor sommige ouders van toen zelfs nog hard te accepteren. Heel de dag met je ogen op zo’n beeldschermpje gericht… Maar ja, je weigert niet graag je kind’s wens, zeker niet als de rest van zijn klas al een brickgame heeft.
Er waren dit jaar ook véél minder kinderen die om een slee hadden gevraagd, wat hem ernstig betreurde. Wat was er heerlijker dan tussen de prachtige sneeuwvlokken van een berg afglijden? Aan de andere kant begreep hij het wel, je wist nooit wanneer de sneeuw eens kwam en het zou jammer zijn om een kerstcadeau een maand later pas te kunnen gebruiken.
Toen hij op zijn horloge zag dat het tijd was om wat gewelddadige X-box spellen te bezorgen bij een jongetje van tien, stapte hij maar gauw de Starbucks uit en vervloekte hij zichzelf dat hij niet naar een andere tent was gegaan. Het was wel lekker, maar veel te duur. Als ze daar toch eens wisten dat het de kerstman was met wie ze te maken hadden… Maarja, iedereen in zo’n pak kon ze dat wel wijsmaken, al die nepperds die rondliepen. Overigens stond er wel ‘Santa’ op zijn beker.
Hij stapte zijn slee in en beveelde zijn geliefde rendieren te vliegen. Een beetje uitglijdend over de gladde vloer van het centraal station startten ze hun aanloop, tot er plotseling onverwachts een tram aankwam waardoor zijn favoriete rendier Rudolph geraakt werd. Er was gekraak van botten hoorbaar en het arme diertje kreunde van de pijn. Hij had zijn pootje gebroken.
“Verdomme!” vloekte hij. Passerende mensen keken verward naar het tafereel, sommige stapten uit hun auto’s. De chauffeurs van de RET bussen vonden het ook wel een reden om mensen geirriteerd bij hun halte te laten wachten. Je zag niet iedere dag een scheldende kerstman en een rendier, creperend van de pijn, liggend voor een tram.
Waar moest hij nou weer een nieuw magisch vliegend rendier vandaan halen? Zonder Rudolph waren de anderen maar ongemotiveerd, bovendien was er geen enkel zo lief als hij. Dat rare mannetje dat hem die rendieren had aangesmeerd was gestopt met zijn rendierenhandel en verkocht nu alleen nog maar chocolade eieren leggende hazen.
Waarom werkte zijn kerstmannenkracht nou alleen op wensen van kinderen? Het was niet eerlijk, hij deed al dat werk voor iedereen en kreeg zelf nooit iets. Als hij zijn eigen wensen kon vervullen wenste hij gewoon dat Rudolph’s pootje weer heel was.
Die avond zag hij een vallende ster, maar in plaats van aan het diertjes pootje te denken wenste hij perongeluk een nieuwe TV. Als goedmakertje maakte hij een houten been voor Rudolph.

Einde.