Hummus

Het eerste wat ze die ochtend deed toen ze beneden was, was haar neus ophalen. Afkeurend keek ze naar mijn tosti, die in veel vet gebakken was. Ze zuchtte en liep naar de keuken. Ze smeerde hummus op een biologische zuurdesem boterham en ging aan het andere hoofd van de tafel zitten. Weer wierp ze een zure blik op mijn tosti.
Superieur begon ze haar boterham met hummus op te eten. Iedere keer dat ze er een hap van had genomen, legde ze hem weer neer. Dat deed ze altijd. Ik wist niet wat het nut er van was. Misschien moest ze haar handen vrijhebben omdat ze al haar concentratie nodig had om die gortdroge boterham met groene smurrie naar binnen te werken. Mij lukte het in ieder geval niet, al deed ik nog zo mijn best.
Ze pakte haar boterham weer op en nam een hap. Er bleef een beetje groene smurrie in haar mondhoek zitten. Ze legde de boterham weer neer en veegde met haar pink de smurrie weg. In plaats van het in haar mond te stoppen, smeerde ze het af aan de rand van haar bord. “Wat nou?” vroeg ze. Ik had niet eens iets gezegd.
Ik haalde mijn schouders op.
“Ik ken die blik”, zei ze. “Dat jij het nou prima vindt om die rotzooi op te eten…” Ze wees naar mijn tosti.
“Eet jij nou maar gewoon je hummus en laat me lekker”, antwoordde ik. Sinds ze op de gezonde toer was, was alles wat ze voorheen ook gewoon had gegeten, ineens barbaarse troep. Het enige wat ze nog at was hummus. Iedereen at alleen nog maar hummus. Heel de wereld was geobsedeerd door hummus en iedereen die het er niet mee eens was, was in ontkenning.
“Is er iets mis met hummus?” vroeg ze. Ik had geen zin in deze discussie. Niet wéér.
“Je gaat je gang maar. Ik vind het alleen belachelijk dat je het aan je bord afsmeert”, probeerde ik het af te kappen.
“Sorry?” zei ze verontwaardigd. “Ik heb net mijn gezicht ingesmeerd met Weleda. Hoe natuurlijk het ook mag zijn, ik wil het liever niet in mijn mond als het voor mijn gezicht bedoeld is.”
Natuurlijk moest ze er even bij vermelden dat ze alleen natuurlijke verzorgingsproducten gebruikte. Stel je toch eens voor dat ik haar ervan zou verdenken dat ze Nivea gebruikte… Dat zou wat zijn.
“Maar natuurlijk, je hebt gelijk”, zei ik, en ik probeerde zo lief mogelijk naar haar te glimlachen. Misschien hield ze dan haar mond.
“Er zit curry aan je tanden”, snauwde ze.
“Er zit hummus aan je bord”, antwoordde ik, terwijl ik haar zeikerige stem imiteerde.
Ze stond op en stampte nijdig naar de bank aan de andere kant van de kamer. Mooi. Nu hoefde ik tenminste niet meer toe te kijken hoe ze na ieder pietepeuterig hapje haar boterham neerlegde, het was niet om aan te zien.
“Smeer je je hummus niet aan de bank af?”, riep ik haar na. Het was misschien een natuurlijk product, maar ik wilde het liever niet aan mijn bank, als het voor haar maag bedoeld was.

Folkert

Folkert,

Ten eerste wilde ik even zeggen dat het niet mijn bedoeling was om je zo voor gek te zetten bij je vrienden. Ik snap dat je een imago hebt om hoog te houden, en als je vriendin zich dan zo losbandig gedraagd door op de bar te gaan dansen en vergeten is dat ze geen ondergoed draagt, dan snap ik dat dat enige gêne teweeg brengt.
Toch wil ik je er even op wijzen dat jij degene bent die me gevraagd heeft om geen ondergoed te dragen, dus ik zou het fijn vinden als ook jij een deel schuld voor je rekening neemt, hoe moeilijk het ook mag zijn met dat immens grote ego van je. Bovendien wist je allang wat voor vlees je in de kuip had, dus je had dit wel kunnen zien aankomen. Voortaan moet je je dat maar bedenken, voor je weer iemand uitnodigt om deel uit te maken van je verschrikkelijke korpsballenavond.
Ik raad je dan ook aan om het de volgende keer in een andere hoek te zoeken, aangezien je mijn soort toch niet kunt waarderen. Dit voorkomt teleurstellingen voor beide partijen.
Het was leuk voor zolang het duurde. Misschien tot ziens.

Groetjes,
Kim.

De olifantenmuts

Vastleggen in volledig scherm 30-11-2015 183212.bmp

Als je graag de indruk wilt wekken dat je je voedsel in je mond kunt stoppen zonder je handen daarvoor te gebruiken, dan is deze muts echt iets voor jou! Met deze blikkenvanger steel je gegarandeerd de show, en het is weer eens wat anders dan de veel voorkomende emo-pandamuts.

Net als de huid van een olifant voelt de muts een beetje stug aan, maar wees niet bang: er zijn geen echte olifanten voor mishandeld, en het is gemaakt van uit elkaar vallend kunstwol, dus hartstikke vegan verantwoord! Zo ziet iedereen in één oogopslag dat je een echte dierenvriend bent! De muts heeft zoals je ziet slagtanden, maar daar heb je minder aan dan dat het eruit ziet. Er zitten geen spieren in de muts die je aan kan spannen en bovendien zijn de slagtanden erg buigzaam en zacht, dus als je de intentie hebt iemand te slachten, raad ik je aan om je eigen tanden te gebruiken, of anders een hakbijl. De hakbijl zit helaas niet bij de muts inbegrepen, maar die kun je vinden in de meeste doe-het-zelf zaakjes of in het tuinhuisje van je vader.

Waar vind ik zo’n prachtige hoofddeksel?
Deze muts komt van een kraampje in de Jaarbeurs Utrecht, tijdens de Mega Record & CD Fair, die twee keer per jaar plaatsvindt. Op het prijskaartje staat het geheimzinnige woord ‘Merchandise’. Officieel kost deze muts €9,99, maar omdat ze graag hun kraampje af wilden sluiten voor de dag en we maar langzaam alle mutsen bleven overwegen (welke dierenmuts vertegenwoordigt het beste ons karakter?), kwamen ze met het onweerstaanbare voorstel: vier mutsen voor €10,-!

Hier is hun webshop:
www.holeinthewallposters.com
Al heb je daar niet bijster veel aan als je deze muts zoekt. Die staat namelijk helemaal niet op de site. Maar je kunt er wel mooie koffiemokken vinden.

 

 

 

Een memorabel logeerpartijtje

Bij een innige beste vriendinnen-schaps band horen vele logeerpartijtjes. Soms bij de één, soms bij de ander.
Een opmerkelijk logeerpartijtje wat ik me nog kan herinneren alsof het gisteren was, was die met Nonie.
We waren een jaar of elf. Met mijn zus sliepen we in een kamer. Er werden verhalen verteld, leraren opgebeld en nog veel meer van dit soort praktijken. Maar een ding miste er en dat was snoep, chips en ijs.
Desbetreffend voedsel was aanwezig in het huis. Het was echter allang bedtijd geweest en mijn vader zat op dat moment in de woonkamer tv te kijken.
Dit betekende dat we zo stiekem mogelijk de kasten moesten plunderen. We verzonnen een perfect afleidingsmanouvre.
Met zijn drieën slopen we naar de keuken. De één zette de kraan keihard aan, de ander liep de woonkamer in om mijn vader te verrassen met een heus optreden. Hard en vals werd er voor hem gezongen, zodat de derde persoon ondertussen ongemerkt iets uit de kast kon pakken.
Keer op keer deden we dit. Afgewisseld door mijn zus en ik werd mijn vader steeds gestoord in zijn tv-programma door onze prachtige stemmen. Ondertussen hadden we een hele voorraad aan snoep, chips en ijsjes te pakken gekregen.
Even later ging mijn vader lopen met de hond. Wij zagen natuurlijk onze kans schoon om nogmaals de kast te plunderen, maar toen ik één van de gesnaaide koekjes in mijn mond stak om hem op te eten, stikte ik erin. Mijn zus deed de heimlich greep op me en ik braakte op de grond. Snel moesten we het opruimen om niets te laten merken. Het logeerpartijtje was hiermee tot een tragisch eind gekomen.

Tabblad

Tabblad, oh, tabblad.
Ik ben het zo zat.
Je stapelt je op
Oh tabblad, please, stop.
Zonder genade
Nog meer tabbladen.
Tabblad, oh, tabblad.
Ik ben het zo zat.

Krik krak

Ik wist niet of hij het expres deed of niet, maar het kon hem nooit ontgaan zijn dat het heen en weer bewegen van die gammele oude schommelstoel de ruimte van luid gekraak voorzag en dat niemand die meerdere uren per dag in die ruimte moest staan werken daar erg blij van kon worden.
Helaas was het mijn baas die dat gekraak veroorzaakte met zijn dikkige oude lijf iedere keer wanneer hij een beweging maakte, en was ik maar een simpele werknemer die zijn mening koste wat het kost voor zich moest houden, hoe zwaar ik ook op de proef werd gesteld.
Af en toe wierp ik hem een blik toe die hij ook moeilijk niet kon opmerken, als ik hem was geweest had ik hem de hele tijd in mijn richting voelen branden. Hij daarintegen besteedde er geen enkele aandacht aan, of scheen er juist zijn energie uit te putten om eens extra lekker heen en weer te wiebelen en zijn stoel uitbundig te laten kraken.
Het liefst zou ik hem hardhandig zijn stoel uittrekken, zijn dikkige lijf tegen de vloer smijten en dat stomme houten krakende bouwsel kort en klein trappen en vervolgens in de fik steken, maar dat zou me mijn baan kosten, en die kon ik dan jammer genoeg weer niet missen.
Het koste me nu al genoeg moeite leuke cadeautjes voor mijn vriendinnetje te betalen. Mijn cadeaus waren meestal maar van matige kwaliteit en als ik dan eens met een nieuw truitje aankwam was het goedkoop en dan zei ze wel zachtjes dankjewel, maar ondertussen wist ik dat haar gierige hartje naar meer verlange en dat ik haar met mijn maandsalaris nooit gelukkig kon maken, wat cadeautjes betrof.
Wat ook niet erg meehielp was dat haar beste vriendin sterk afstak wanneer ze naast elkaar liepen, met haar peperdure kleren en haar stoere assecoires. Zij was de vrouw van die monsterlijke oude kwal in die schommelstoel en ook al stond ik al het werk te doen en zat hij heen en weer te wippen, toch kon hij het zich veroorloven haar te verwennen en daar moesten ik en mijn vriendinnetje de dupe van zijn. Of nou ja, als ze gewoon haar smoel erover hield was er voor mij niets aan de hand geweest, maar natuurlijk, het was een vrouw, en ik was de man, dus was het mijn taak leuke dingen voor haar te kopen. En ja, als ik dat niet kon waarmaken, dan moest ik daarvoor boeten. Met andere woorden, ik moest dodelijke blikken te verduren krijgen, teleurgestelde zuchten aanhoren en wat nog het allerergste was: de triomfantelijke blikken van de baas die lekker op zijn luie reet zat de godganse dag.

Dat ze zelf nou eens ging werken, dat was er natuurlijk niet bij. Het was een meutige muts die niks kon, ze liet alles vallen en kon niet tegen snauwende mensen, dus wat dat betrof was het niet de sterkste oproepkracht. Maar goed, ik hield van haar, dus vond ik dat ik dat maar voor lief moest nemen, en met staart tussen de benen stond ik stil voor het krakende gevaarte.
‘Lóónsverhoging? Ben je nou helemaal? Zie eerst maar eens dat je je werk goed doet, oelewapper!’ Klachten over de kwaliteit van de snacks die ik dag in dag uit stond klaar te maken had ik echter nooit gehad, ik ploegerde en stond zwetend van het harde werk in de hete keuken, dus er viel niets te klagen, maar ik besefte dat een baas van zijn leeftijd waarschijnlijk niet veel anders te doen had dan een beetje vitten op zijn sloeberige werknemer, en als hij me een loonsverhoging had gegeven zou ik daar beter tegen hebben gekund, en dat was natuurlijk niet de bedoeling, dat was dan ook wel weer te begrijpen.
Toch kon ik niet laten me, met pijn in mijn hart, af te vragen hoe het geweest was als wij tweeën in vrede hadden samengewerkt, en af en toe stomme grapjes over klanten hadden kunnen maken.
Wat mij betrof had die veel te oude kwal het recht niet zich zo verheven te voelen boven iedereen, was zijn vriendinnetje veel te jong en veel te mooi, en wachte ik verheugd op de dag dat hij spartelend van zijn stoel af zou vallen en zou sterven zodat ze samen gecremeerd konden worden. Maar ik wachte maar en wachte maar, en begon me steeds meer af te vragen of die dag ooit wel zou komen, die man leek wel onverwoestbaar.
Hoe oud hij was wist ik niet, ik had ooit een keer de fout gemaakt ernaar te vragen en na me eerst een kwartier de huid vol gescholden te hebben hoe onbeleefd ik wel niet was had hij gezegd: ‘Leeftijd. Puh. Daar doe ik niet aan.’ Dat was iets wat alleen oude mensen konden zeggen, wist ik.

Na die gefaalde poging om om loonsverhoging te vragen ging het werken me niet beter af. Ik had mijn klauwen die dag al drie keer gebrand aan de frituurpan en liep als het maar even kon met mijn vingers in een koud bakje water rond, waardoor ik weer extra halve seconden tijd verloor om te werken.
Om het net nog even een beetje erger te maken, kwamen die dag onze vriendinnetjes langs; die van mijn baas en die van mij, dus. Ze waren natuurlijk in de winkelstraat verderop aan het shoppen en ze moesten centjes hebben. De luidruchtige vriendin van de baas liep vrolijk ons begroetend voorop in haar dure pakje, terwijl mijn vriendin er wat stilletjes achteraanslenterde in een stuk minder indrukwekkende voorkoming. Terwijl haar vriendin op haar baas afhuppelde en hem snel van wat briefgeld wist te ontfutselen, bleef zij wat onzeker in het midden van de winkel staan. Ze wist dat ik haar niks kon geven en dat ik waarschijnlijk op mijn donder kreeg als ik onder werktijd ‘met meiden aan het vozen was’, dus wist ze dat ze beter niet naar me toe kon komen om me een zoen te geven en fatsoenlijk hallo te zeggen.
Ik daarintegen vond dat ik hoe dan ook op mijn donder kreeg en kwam achter de toonbank vandaan, maar voor ik haar bereikt had, duwde hij zijn prinsesje een beetje naar zijn andere knie en de schommelstoel kraakte meer dan ooit tevoren, terwijl hij riep: ‘HO HO HO meneer! Waar denk jij dat je mee bezig bent?!’
Ik bleef verstijfd staan en antwoordde een beetje beschaamd: ‘Hallo zeggen tegen mijn vriendin.’
‘Dat doe je maar lekker in je eigen tijd. Je mag die vriendin van je wel eens beter behandelen, zo ga je toch niet met een mooie dame om? Kijk eens hoe ze erbij loopt man, wil je dat op je geweten hebben?’
Nee, dat zou haar zeker goed doen. Ze voelde zich al als een kamerplant wanneer ze samen met haar jolige vriendin was, en dat wilde hij natuurlijk nog even extra benadrukken.
Ik zag haar gezicht vertrekken, en ik kon niets zeggen om haar beter te laten voelen, wat niet onopgemerkt bleef. ‘Wat sta je daar nou man? Je bent de grootste nietsnut die ik ooit heb gezien. En dat werkt dan bij mij. Wat moet er toch met deze zaak gebeuren als ik de pijp uitga?’ De man had, gek genoeg, helemaal geen famillie meer om voor hem te zorgen, dus storte hij zijn hele bestaan maar op het zitten kraken in zijn zielige bedrijfje waarmee hij nog net genoeg centen verdiende om zijn meisje tevreden te houden, en om zijn resterende tijd maar gevuld te hebben kon hij mij mooi lastigvallen. Klonk als een droom.
Ik liep maar weer terug naar de plek waar ik thuishoorde, achter de balie, terwijl mijn baas zei: ‘Ja, dat zou ik ook doen, ga jij maar weer aan je werk, dan doe je tenminste nog iets goed. Je bent blijkbaar nog niet klaar voor een vriendin’, waarna hij zich tot mijn vriendin wendde en zei: ‘Koop jij ook maar iets leuks voor jezelf’, en hij drukte haar ook een bijzondere stapel briefgeld in de onzeker uitgestoken hand.

Dit was de druppel. Niet alleen stond ik hiermee ongelofelijk voor paal, (“Werknemer laat zijn baas betalen voor vriendin”), maar hiermee verklaarde hij mij tot in de eeuwigheid de oorlog.
Ik kon mijn gezicht niet meer vertonen. De zelfvoldane blik van die oude gek, die zichzelf blijkbaar een hele piet voelde terwijl hij gewoon een oude zeurpiet in een krakende schommelstoel was, de gemixte blik van vermaak en ongeloof op het gezicht van de vriendin van de baas, die hiermee ook in een aardig vreemde positie gezet werd, en de verdenerde maar enigzins gevleide uitdrukking van mijn vriendin, omdat ze zich nu toch kon verheugen op een dag waarop ze kon doen en laten wat ze wilde, zonder als een meisje zonder doel in de stad achter haar vriendin aan te lopen, terwijl die van alles van de rekken graaide en zij alleen maar kon zeggen: ‘oh nee, ik kijk alleen maar..’ terwijl ze beiden dondersgoed wisten dat ze geen geld had.
Moest ik blij zijn voor haar dat ze nu iets leuks kon doen? Ik wist het niet. Had ik moeten zeggen dat ze het geld niet aan mocht nemen? Had ik mijn eigen portomonnee moeten trekken en haar geld moeten geven, en het dan diezelfde week nog komen teruglenen, omdat ik dan geen geld meer zou hebben om van te leven, waarin ze dus in feite toch alles wat ze nu uitgaf zelf betaalde?
Eigenlijk was niets goed, maar dit zeker niet. Hij ging hier niet mee wegkomen.

Wat het nog erger maakte, was dat toen de meiden weg uit de zaak waren, mijn baas zei: ‘we gaan sluiten voor vandaag. Ga maar naar huis, je hebt je voor vandaag wel genoeg voor schut gezet.’
Ik kon er niets tegenin brengen, want het was waar, ik was nu eenmaal een loser, maar was hij niet degene die mij voor schut had gezet? Had ik niet gewoon normaal even met mijn vriendin mogen smoezelen terwijl hij de zijne op zijn schoot had in zijn schommelstoel? Dan was de rest, dat gebeuren in de stad enzo tussen die twee meiden, niet mijn zaak geweest, en ook niet die van hem.
Ik graaide zonder veel terug te zeggen mijn spullen bij elkaar en verliet de zaak, doodmoe van deze zware werkdag, mijn verbrande vingers gloeiden nog een beetje. Misschien droeg het feit dat mijn vingers zich dolgraag om de nek van de baas wilden sluiten en hem te wurgen daaraan mee. Hoe dan ook was ik blij dat ik naar huis kon, om even verlost te zijn, maar het aantreffen van mijn stralende vriendin op de bank met tientallen tasjes om zich heen zoog dat kleine geluksmomentje direct weer weg.
Ik moest de neiging onderdrukken ze weg te grissen en te verbranden, want wie was ik, als zij zich zo graag wilde laten verwennen door een vieze oude knar? Wat had ik daar tegenin te brengen, als ik het zelf niet kon? Als ze maar wist dat het iets eenmaligs was.

Maar dat was het dus niet. Steeds vaker schoof hij haar stiekem ook wat toe, als hij dacht dat ik even niet oplette. Steeds vaker kwam ze thuis met nieuwe kleding, sieraden, schoenen, waarvan ik wist dat ze gefinancieerd werden door een zeker iemand. En op een nacht toen ik haar uitkleedde en ik een veel te sexy setje aantrof onder haar nieuw geurende kledij, sloegen alle stoppen door. Hij ging te ver. Ik heb haar van me af geduwd en ben linea recta naar de zaak gereden, waarop ik eindelijk die verschrikkelijke schommelstoel onder handen nam. Het gekraak was heviger dan ooit tevoren terwijl ik trapte, sprong, en de adrenaline door mijn lijf pompte. Dit was wel het minste wat ik kon doen. Ik wist dat hiermee mijn werkdagen geteld waren, maar ik kon geen moment langer met deze constante vernedering leven.
Niets was erger dan je vriendin te vinden in lingerie die door iemand anders was betaald. Ik kon geen enkele blik, geen enkel pesterig woord meer van hem verdragen.

De ochtend die daarop volgde nam ik niet eens meer de poging om op te staan en op tijd te komen, maar dat was ook niet nodig. De vriendin van de baas stond vroeg op de stoep, huilend, met de mededeling dat die nacht haar man was overleden aan een hartstilstand. Het was thuis gebeurd, rond een uur of één… precies wanneer ik in een vlaag van woede naar de zaak was gereden om de stoel van het leven te beroven.
Ik was de enige die wist wat dit betekende, het leven van de oude man had aan een zijden draadje gehangen, en was even kwetsbaar geweest als dat van de krakende stoel. Ze waren één. Wat betekende dat ik een moordenaar was, en ik was er trots op, hij had het verdiend.

Natuurlijk werd mij gevraagd de zaak over te nemen omdat we daar altijd met zijn tweeën waren, waarmee ik ook meteen genoeg geld had mijn vriendin én die van hem blij te maken met allerlei cadeaus. Ik nam een knechtje aan en behandelde hem net zoals ik behandeld werd, hij was ook gewoon verschrikkelijk stom en onhandig. En terwijl ik op een nieuwe, oerlelijke groene plastic stoel zat te vitten op mijn werknemer besefte ik dat ik geen haar beter was dan mijn voormalige baas, en dat hij tenminste nog een krakende schommelstoel had om anderen in te irriteren. Die van mij maakte geen kik, hij kon niet eens schommelen, en volgens mij lachte mijn werknemer me uit achter mijn rug terwijl hij mijn beide vriendinnen afpikte zonder er ook maar een cent voor tevoorschijn te halen. Ik was een geboren mislukking.

Beperkt bestaan voor slordige personen

Eens in de zoveel tijd gebeurt het weer eens dat ik mijn portemonnee of mijn identiteitsbewijs kwijtraak. Het lijkt wel alsof alles waar ik goed op moet passen op een gegeven moment gewoon een eigen leven gaat leiden en zelf besluit om te verdwijnen zodat ik weer een heleboel geld moet betalen. Sleutels, telefoons en portemonnee’s houden het bij mij nooit lang uit.

De eerste keer dat dit mij gebeurde had ik geluk: er waren geen andere pasjes bij betrokken en ik was alleen mijn ID kwijt. Even later vond ik hem zelfs weer terug, ergens in huis, maar toen had ik natuurlijk allang een nieuwe. Dus stopte ik mijn oude en mijn nieuwe identiteitsbewijs in een portemonnee. Daar zaten ze een tijdje met zijn tweeen tot ik mijn portemonnee weer kwijtraakte.
De volgende dag werd ik gebeld door de politie: ze hadden hem gevonden. Maar waarom had ik er twee? Ik kon hem die dag op komen halen helemaal in Rotterdam Zuid.
Ik was ontzettend brak en ik had niet geslapen dus ik voelde me nog helemaal wazig en alsof ik van alles fout aan het doen was. Waar je je op zo’n moment gewoon niet wilt bevinden is in een politiebureau.

Mijn oude identiteitsbewijs werd ingenomen. We waren weer met zijn tweeen. Mijn identiteitsbewijs en ik tegen de wereld. We waren dolgelukkig samen. Alhoewel ik er op die foto uit zag alsof ik uit een TBS-kliniek was ontsnapt.
Helaas, de chaotische kwijtraakziekte bleef niet ongenadig en even later raakte ik weer mijn portemonnee kwijt. Toevallig had ik net die dag mijn bankpas en ov-chipkaart los in mijn tas gestopt, maar de rest was ik kwijt. Onder andere het pasje wat ik het minst graag wil kwijtraken: mijn ID. Alweer.
De laatste keer dat ik hem zag was in mijn portemonnee, ik zat op een bankje en haalde er een vloetje uit. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat ik zo dom was om hem daar te laten liggen, maar ik zou het anders ook niet weten. Hij was gewoon verdwenen.

Toen ik weer (eindelijk, na maanden) een nieuwe ID ben aan gaan vragen, werd er aardig pissig gereageerd. “Dit is al je derde vermissing, he”, zei een chagrijnige baliemedewerkster.
“Ja, weet ik”, antwoordde ik. Vertel mij wat.
Na iedere vraag en kort antwoord viel er een stilte. Er was toetsenbordgetik te horen. De mevrouw liet duidelijk merken dat ze mijn slordige gedrag niet kon waarderen.
Nu bleek het ook nog eens zo te zijn dat als ik hem nog een keer kwijt raak, het zomaar zou kunnen gebeuren dat me een paspoort geweigerd kan worden. Wat dus betekent dat ik de EU niet meer kan verlaten.

Iedere keer dat ik een nieuwe ID heb aangevraagd, heb ik keurig een boete betaald. Dus waar is dit nou weer voor nodig? Verdienen slordige, chaotische mensen het niet om de wereld te verkennen? Blijkbaar kunnen ze het zomaar maken om je af te sluiten voor een heel groot deel van de wereld, alleen maar omdat zij verzonnen hebben dat je geen dingen kwijt mag maken.
Ik vind het ook niet leuk om dingen kwijt te raken, elke keer weer hetzelfde verhaal. Alles lijkt zomaar te verdwijnen terwijl ik het dan drie seconden eerder nog in mijn handen gehad heb. Maar heb ik als chaotisch persoon niet al genoeg te lijden?
Een tijd lang geen toegang tot clubs, het niet meekrijgen van drank en sigaretten. Dan ben je twintig, maar dan heb je er niets aan. Vooral niet met die nieuwe drank en tabaks wet – al werd ik daarvoor vaak ook al voor vijftien aangezien in de supermarkt.
Steeds maar weer nieuwe sleutels, telefoons, pasjes enzovoorts moeten halen, iedere keer paniek voelen wanneer ik erachter kom dat het weer zover is en dan straks ook nog eens een beperkt bestaan. Tenminste, ik ga er vanuit dat ik hem ooit nog wel een keer kwijt raak. Niet dat ik zo’n gigantische reizigster ben, maar toch, misschien ooit.

Gelukkig heb ik volgende week weer een ID en voor een pasfoto is de foto best oke. Ik kan weer overal naar binnen, ik hoef niet meer persee plekken te mijden waarvan ik weet dat er om legitimatie wordt gevraagd, ik hoef niet meer moeilijk te doen om sigaretten of alcohol te krijgen, daar gaat het om. Om de rest maak ik me later wel een keer druk. Als ik hem weer kwijt ben.

Het moderne huishouden

Een opdracht die ik voor Maatschappijleer heb gemaakt. 

Zou je een eeuw geleden een willekeurig famillieportret voor je neus krijgen, dan zou je waarschijnlijk precies weten hoe de vork in de steel zat.
De vader, die voor brood op de plank zorgde, de moeder die datzelfde brood keurig iedere morgen op de ontbijttafel neerzette, om maar één van haar vele huishoudelijke taken te noemen. Tussen hen in zitten hun kinderen, compleet van eigen vlees en bloed.
Tegenwoordig is dat heel anders. Bij het zien van een famillieportret weet je niet meer zeker welke van de twee volwassenen nu het geld verdient en wie voor het huishouden zorgt, of dat ze misschien allebei werken en hun werkster of misschien hun kinderen het huishouden laten doen.
Het is ook niet meer vanzelfsprekend dat die kinderen van beide ouders zijn en of ze wel volledig verwant zijn aan hun broers of zussen. Of ze uberhaupt verwant zijn aan elkaar.

Het kan bijvoorbeeld heel goed dat, terwijl de vrouw hard aan het werk is, haar zoon uit haar vorige huwelijk naar zijn biologische vader gebracht moet worden, hij is namelijk ieder weekend daar, dat is de regeling die ze getroffen hebben na hun scheiding. Dat mag haar nieuwe man dan fijntjes gaan doen, hoe vervelend en ongemakkelijk hij dat klusje ook vindt.
Eenmaal bij het huis van zijn vader aangekomen zegt hij zijn stiefvader en halfzusje, die naast hem in een kinderstoeltje in de auto zit gedag, een beetje verdrietig. Eigenlijk heeft hij geen zin om naar zijn vader te gaan, want hij vindt zijn nieuwe vriendin en stiefbroers niet aardig en hij wil liever zijn weekend doorbrengen met zijn halfzusjes. Hij is ook een beetje jaloers, want zij zijn nu al die tijd samen en hij valt er een beetje buiten.
De klasgenoot die ik interviewde woont ook met zijn twee broertjes en zijn moeder in een huis, zijn ouders zijn gescheiden en hij heeft ook te maken met halfzussen en stiefbroers. Zijn stiefbroertje ziet hij het liefst zo min mogelijk omdat hij hem niet uit kan staan.
Allemaal situaties waar ouders en kinderen van tegenwoordig mee te maken kunnen krijgen. Waar het vroeger nog allemaal simpel en duidelijk was in een gezin, is het nu heel anders. Ouders scheiden sneller van elkaar en kinderen krijgen ineens te maken met ‘nieuwe ouders’ en ‘nieuwe broers of zussen’, of ze dat nu willen of niet. Voor de kinderen en de ouders is het beide moeilijk. Maar waarom scheiden mensen dan van elkaar, terwijl ze jaren daarvoor een belofte aan elkaar hebben gedaan?

Vroeger kwamen scheidingen nauwelijks voor. Er lag een taboe op. Tegenwoordig is het zeldzaam om op je zeventigste nog bij elkaar te zijn als je op je dertigste een keer trouwt. Maar wat is er in die tijd dan zo veranderd? Denken mensen niet meer na voordat ze trouwen? Geven ze het eerder op?
Natuurlijk kun je, voor je een huwelijk instapt, nooit precies weten welke kant het opgaat, maar toch is het opvallend dat een scheiding veel vaker voorkomt dan vroeger.
Het feit dat veel vrouwen tegenwoordig een carriére hebben, in tegenstelling tot vroeger, zou hier goed in kunnen meespelen. Waar ze vroeger nog afhankelijk waren van hun man, staan ze nu op hun eigen benen en kunnen ze het zich veroorloven bij hun man weg te gaan. Een man kan zijn vrouw makkelijker aan de kant zetten omdat ze toch wel voor zichzelf kunnen zorgen. Het hoeft niet persee de reden te zijn, maar het kan. Misschien dat de overgeromantiseerde films die in de omloop zijn er mee te maken hebben. Blijkt je huwelijk na een aantal jaar aardig te zijn uitgeblust en helemáál niet zoals in de film, verbreek je hem weer, net zo makkelijk.
Natuurlijk is het ieders eigen keus om te trouwen en te scheiden wanneer ze dat willen, als er maar een beetje rekening wordt gehouden met eventuele kinderen. Voor sommige jongeren is de scheiding van hun ouders heel zwaar. Natuurlijk is tussen constant ruzie makende ouders zitten ook geen pretje. Als er maar wat meer moeite voor een huwelijk wordt gedaan dan bij de eerste de beste tegenslag het meteen op een echtscheiding aan te laten komen.
Trouwen hoort een weloverwogen keuze te zijn, iets waar je voor vecht, samen met degene aan wie je belooft hebt voor de rest van je leven samen te zijn. Ik ben benieuwd hoeveel trouwende stellen tegenwoordig nog daadwerkelijk geloven dat ze de rest van hun leven samen blijven wanneer ze elkaar die belofte doen. Een stuk minder dan vroeger in ieder geval.

Of scheiden iets goeds of iets slechts is, dat weet ik niet. Dat is een keuze die iedereen zelf moet maken, als ze er maar goed over na hebben gedacht. Zelf heb ik nooit veel moeite gehad met het uit elkaar gaan van mijn ouders, maar ik was oud genoeg om te beseffen dat ze beiden gelukkiger konden zijn dan dat ze waren net voordat ze na twintig jaar uit elkaar gingen. Natuurlijk had ik mijn vader nog graag bij me in huis gehad, maar de vriend die mijn moeder daarna kreeg heeft me een prachtig halfzusje opgeleverd die ik voor geen goud zou willen missen. Toch bleek het na een paar jaar niet te werken tussen hen en inmiddels woont mijn moeder bij haar nieuwe vriend met mijn halfzusje en mijn twee stiefzusjes, met wie ik ook heel blij ben.
Mijn famillieportret zou er een eeuw geleden voor anderen heel raar uitzien, met (ex)stiefvaders, stiefmoeders en stiefzusjes meegerekend, maar is tegenwoordig heel normaal. Een modern huishouden.

Het aftervakantiesyndroom

Paniek. Chaos. Intens verdriet. Enkele gevoelens die in mij opkomen wanneer ik na twee welverdiende weken vakantie weer naar school moet.
Het is nou niet bepaald dat ik uitgerust weer op school kom. Het is natuurlijk allemaal heel jofel om feestdag na feestdag in een vakantie te proppen (heb je in ieder geval wat te doen), maar dagenlang drinken gaat je niet in de koude kleren zitten. Natuurlijk kies ik daar zelf voor. Alhoewel, met kerst en oud en nieuw ben je wel een soort van verplicht, het lekkere eten wordt je voorgeschoteld en het lekkere drinken naar binnengegoten. De katers blijven zich maar opstapelen tot je aan het eind van de vakantie nog verrotter bent dan daarvoor.
En dan moet je weer naar school. Alle vakantie en feestdagenvreugde is als sneeuw voor de zon verdwenen op het moment dat je beseft dat het leven vol verplichtingen weer begint. Met moeite vorm je je om twee uur  ’s middags opstaan systeem weer om tot een vroeg naar bed, vroeg opstaan ritme. Iets waar ik, waarschijnlijk voor de rest van mijn leven, moeite mee blijf hebben. Ik begin er vol goede moed aan, gemotiveerd en al, maar dan zwakt het langzaamaan weer af.
’s Avonds denk ik geen enkele moeite te hebben met het opstaan van de komende ochtend. ’s Ochtends vervloek ik mezelf iedere keer weer, want oh, wat is mijn bed toch fijn. Waarom ik me ’s avonds nooit besef hoe fijn mijn bed is, dat weet ik niet.
Op school aangekomen is het alsof de vakantie, met al zijn feestelijke feestelijkheden, nooit heeft plaatsgevonden. Iedereen is hetzelfde, iedereen doet hetzelfde en aan niemand is te merken dat ze niet lang geleden gezellige feestdagen hebben doorgebracht en dronken, intens gelukkig en vol goede moed het nieuwe jaar hebben ingeluid. Sterker nog, iedereen is down. Want de vakantie is voorbij. Het enige sombere vooruitzicht: school, school en nog meer school. Ergens in de verste verte schijnt een lichtpunt: de volgende vakantie.

Kerstverhaal: “Pas op met wat je wenst.”

In de lucht was een atmosfeer van blije kinderen voelbaar. Honderden pakjes had de kerstman al bezorgd. Hij liep zelfs een poosje voor op schema en zo kon hij dus even genieten van een welverdiende pauze, waarin hij tijd had om zich onder het genot van een kop dampende koffie te verbazen over de merkwaardige wensen die kinderen van tegenwoordig hadden.
Wat moest een jongentje van zes met een iPhone? Spelletjes op spelen? Ach ja, als zijn ouders het goedvonden moest hij de wens maar vervullen. Hij wist zich nog te herinneren dat kinderen vijftien jaar geleden door het dolle heen waren toen ze hun splinternieuwe brickgame uitpakten en dat was voor sommige ouders van toen zelfs nog hard te accepteren. Heel de dag met je ogen op zo’n beeldschermpje gericht… Maar ja, je weigert niet graag je kind’s wens, zeker niet als de rest van zijn klas al een brickgame heeft.
Er waren dit jaar ook véél minder kinderen die om een slee hadden gevraagd, wat hem ernstig betreurde. Wat was er heerlijker dan tussen de prachtige sneeuwvlokken van een berg afglijden? Aan de andere kant begreep hij het wel, je wist nooit wanneer de sneeuw eens kwam en het zou jammer zijn om een kerstcadeau een maand later pas te kunnen gebruiken.
Toen hij op zijn horloge zag dat het tijd was om wat gewelddadige X-box spellen te bezorgen bij een jongetje van tien, stapte hij maar gauw de Starbucks uit en vervloekte hij zichzelf dat hij niet naar een andere tent was gegaan. Het was wel lekker, maar veel te duur. Als ze daar toch eens wisten dat het de kerstman was met wie ze te maken hadden… Maarja, iedereen in zo’n pak kon ze dat wel wijsmaken, al die nepperds die rondliepen. Overigens stond er wel ‘Santa’ op zijn beker.
Hij stapte zijn slee in en beveelde zijn geliefde rendieren te vliegen. Een beetje uitglijdend over de gladde vloer van het centraal station startten ze hun aanloop, tot er plotseling onverwachts een tram aankwam waardoor zijn favoriete rendier Rudolph geraakt werd. Er was gekraak van botten hoorbaar en het arme diertje kreunde van de pijn. Hij had zijn pootje gebroken.
“Verdomme!” vloekte hij. Passerende mensen keken verward naar het tafereel, sommige stapten uit hun auto’s. De chauffeurs van de RET bussen vonden het ook wel een reden om mensen geirriteerd bij hun halte te laten wachten. Je zag niet iedere dag een scheldende kerstman en een rendier, creperend van de pijn, liggend voor een tram.
Waar moest hij nou weer een nieuw magisch vliegend rendier vandaan halen? Zonder Rudolph waren de anderen maar ongemotiveerd, bovendien was er geen enkel zo lief als hij. Dat rare mannetje dat hem die rendieren had aangesmeerd was gestopt met zijn rendierenhandel en verkocht nu alleen nog maar chocolade eieren leggende hazen.
Waarom werkte zijn kerstmannenkracht nou alleen op wensen van kinderen? Het was niet eerlijk, hij deed al dat werk voor iedereen en kreeg zelf nooit iets. Als hij zijn eigen wensen kon vervullen wenste hij gewoon dat Rudolph’s pootje weer heel was.
Die avond zag hij een vallende ster, maar in plaats van aan het diertjes pootje te denken wenste hij perongeluk een nieuwe TV. Als goedmakertje maakte hij een houten been voor Rudolph.

Einde.