Hummus

Het eerste wat ze die ochtend deed toen ze beneden was, was haar neus ophalen. Afkeurend keek ze naar mijn tosti, die in veel vet gebakken was. Ze zuchtte en liep naar de keuken. Ze smeerde hummus op een biologische zuurdesem boterham en ging aan het andere hoofd van de tafel zitten. Weer wierp ze een zure blik op mijn tosti.
Superieur begon ze haar boterham met hummus op te eten. Iedere keer dat ze er een hap van had genomen, legde ze hem weer neer. Dat deed ze altijd. Ik wist niet wat het nut er van was. Misschien moest ze haar handen vrijhebben omdat ze al haar concentratie nodig had om die gortdroge boterham met groene smurrie naar binnen te werken. Mij lukte het in ieder geval niet, al deed ik nog zo mijn best.
Ze pakte haar boterham weer op en nam een hap. Er bleef een beetje groene smurrie in haar mondhoek zitten. Ze legde de boterham weer neer en veegde met haar pink de smurrie weg. In plaats van het in haar mond te stoppen, smeerde ze het af aan de rand van haar bord. “Wat nou?” vroeg ze. Ik had niet eens iets gezegd.
Ik haalde mijn schouders op.
“Ik ken die blik”, zei ze. “Dat jij het nou prima vindt om die rotzooi op te eten…” Ze wees naar mijn tosti.
“Eet jij nou maar gewoon je hummus en laat me lekker”, antwoordde ik. Sinds ze op de gezonde toer was, was alles wat ze voorheen ook gewoon had gegeten, ineens barbaarse troep. Het enige wat ze nog at was hummus. Iedereen at alleen nog maar hummus. Heel de wereld was geobsedeerd door hummus en iedereen die het er niet mee eens was, was in ontkenning.
“Is er iets mis met hummus?” vroeg ze. Ik had geen zin in deze discussie. Niet wéér.
“Je gaat je gang maar. Ik vind het alleen belachelijk dat je het aan je bord afsmeert”, probeerde ik het af te kappen.
“Sorry?” zei ze verontwaardigd. “Ik heb net mijn gezicht ingesmeerd met Weleda. Hoe natuurlijk het ook mag zijn, ik wil het liever niet in mijn mond als het voor mijn gezicht bedoeld is.”
Natuurlijk moest ze er even bij vermelden dat ze alleen natuurlijke verzorgingsproducten gebruikte. Stel je toch eens voor dat ik haar ervan zou verdenken dat ze Nivea gebruikte… Dat zou wat zijn.
“Maar natuurlijk, je hebt gelijk”, zei ik, en ik probeerde zo lief mogelijk naar haar te glimlachen. Misschien hield ze dan haar mond.
“Er zit curry aan je tanden”, snauwde ze.
“Er zit hummus aan je bord”, antwoordde ik, terwijl ik haar zeikerige stem imiteerde.
Ze stond op en stampte nijdig naar de bank aan de andere kant van de kamer. Mooi. Nu hoefde ik tenminste niet meer toe te kijken hoe ze na ieder pietepeuterig hapje haar boterham neerlegde, het was niet om aan te zien.
“Smeer je je hummus niet aan de bank af?”, riep ik haar na. Het was misschien een natuurlijk product, maar ik wilde het liever niet aan mijn bank, als het voor haar maag bedoeld was.

De mierenkelder

Het leek een doodgewone dag. Er hadden zich geen bijzonderheden voorgedaan op mijn werk en de treinen hadden geen vertraging gehad. Ik keek ernaar uit om met mijn net gescoorde boodschappen aan de slag te gaan, om een doodgewone maaltijd op tafel te zetten voor mij en mijn doodgewone vriendin.
Fluitend liep ik naar huis, met in mijn ene hand een boodschappentas en in mijn andere mijn aktetas, net als iedere andere dag. Wat er toen gebeurde had ik nooit kunnen voorzien. Ineens was het geen doodgewone dag meer. Heel mijn leven stond vanaf dat ene cruciale moment op zijn kop.

Voor ik er erg in had, lag ik languit op straat. De mensen die het hadden zien gebeuren, stopten om te kijken. Ik zag ze fluisteren en wijzen. Ik keek om me heen. Toen ik me besefte waar ik was, bekroop me een angstig gevoel. Ik stond op en keek naar de plek waar ik zojuist onderuit was gegaan. Mijn akelige vermoedens werden bevestigd. Het was de losse stoeptegel…
Dat kon toch niet waar zijn? Ik was niet zo’n sukkel die over de losse stoeptegel struikelde. Ik had de losse stoeptegel-regel nota bene uitgevonden. Dat zou ik toch nooit hebben gedaan als ik niet zo’n fantastische motoriek had? Als er ook maar een miniscule kans bestond dat ik er zelf over zou struikelen, zou ik toch nooit zo gek zijn om alle aandacht op die stoeptegel te vestigen? Iedereen in het dorp was geobsedeerd met de stoeptegel. Mensen liepen er met grote bogen omheen, keken angstig rond of ik niet in de buurt was.
Iedereen wist dat als je erover struikelde, het meteen gedaan was met je reputatie.
Dat ik, de legende die de losse stoeptegel-regel had uitgevonden, nu zelf in de fout was gegaan, was de gebeurtenis van de eeuw. Er moest meer aan de hand zijn, dat wist ik zeker. Ik was niet zo’n onhandige minkukel die me altijd overal aan stootte of alles liet vallen en ik was ook geweldig in sport. Mijn fantastische hersencapaciteit verliep perfect synchroon met mijn fysieke handelen. Het moest wel ergens anders vandaan komen.

Iedereen zei dat ik gewoon moest toegeven dat ik over de losse stoeptegel was gestruikeld. De regel gold voor iedereen, dus ook voor mij. Ik moest het maar verkroppen. Ik moest er niet zo’n probleem van maken dat ik in de fout was gegaan, vonden ze. Ze begrepen er niets van. Zij waren degene die er een probleem van maakten. Ik was niet in de fout gegaan. Niemand scheen de waarheid te geloven. Het was niet de losse stoeptegel die me had laten struikelen. Het was een mier geweest.
De mier had op zijn achterpootjes op de stoeptegel gestaan en me een zet gegeven toen ik er nauwkeurig overheen stapte. Ik had de betreffende mier naar me zien grijnzen toen ik ongelovig naar de stoeptegel staarde, maar ik was de enige die het zag.

“Maar kíjk dan!” zei ik, terwijl ik naar de mier wees.
“Ja, we zien het. De losse stoeptegel. Die zit er al tienduizend jaar!”, lachten ze.
“Nee! Jullie begrijpen het niet. Kijk dan naar die mier!” tierde ik. Ze kwamen dichterbij. De mier was gauw onder de stoeptegel gekropen. Wat een sluwe beesten waren het toch ook.
“Ik zie geen mier. Ik zie alleen de losse stoeptegel, en iemand die zijn fouten niet wil toegeven”.

Woedend was ik naar huis gestampt. Dit ging helemaal niet zoals ik wilde. Ineens was dit geen dag meer die ik later vergeten zou zijn, zoals ik mijn dagen het liefste had. Ineens was dit een dag geworden die ik nooit meer ging vergeten, en die niemand me ooit zou laten vergeten. Deze dag zou de rest van mijn leven bepalen.
Zelfs mijn bloedeigen vriendin wilde niets van de sluwe mier weten. “Kop op, joh. Je bent lang de enige niet die daar op zijn bek is gegaan”, probeerde ze me te troosten. “Nu ben je net als iedereen.”
“Ik ben niet als iedereen. Mijn motoriek is fantastisch”, hield ik vol. “Waarom wil niemand geloven dat dat rotbeest me heeft laten struikelen?”
“Heb je wel gehoord hoe belachelijk dat klinkt?” vroeg ze. “Die beesten zijn piepklein en die stoeptegel… die stoeptegel is link, hoor.”
“Oh, en iemand met een fantastische motoriek die struikelt, dat klinkt zeker niet belachelijk?” hield ik vol. “Mieren zijn sterk. Sterker dan je denkt.”
“Het is goed met jou”, kapte ze me af. “Ga je zo koken? Ik heb honger.”
Ik snapte niet hoe ze zo star kon zijn. Ze zou aan mijn kant moeten staan. Relaties hoorden gebaseerd te zijn op vertrouwen. Blijkbaar stelde die van ons niet zoveel voor. Maar wat ik al helemaal niet snapte, was hoe ze zomaar kon overgaan op de orde van de dag, terwijl mijn hele wereld op zijn kop stond.
“Kook zelf maar”, snauwde ik. Aangezien het toch al een abnormale dag was, zou ik zeker niet doodnormaal gaan koken, alsof er niets aan de hand was. Die avond aten we niets.

De volgende ochtend kwam ze me ontbijt op bed brengen. “Wat heeft dit te betekenen?” vroeg ik verbaasd.
Ze keek me vragend aan. “Wat bedoel je? Dit doe ik toch iedere dag?”
“Dit is niet ‘iedere dag’. Het wordt nooit meer ‘iedere dag’.”
“Ben je er nou nog niet overheen?” vroeg ze vermoeid.
“Ik wel hoor. Ik heb allang geaccepteerd dat ik ben gestruikeld door een mier. Jij. Jij bent degene die het niet los kan laten. Alleen maar omdat je zelf een keer onderuit bent gegaan door die stoeptegel en jouw reputatie niets meer waard is. Daarom probeer je mij ook maar naar beneden te halen.”
Ze zuchtte. “Zal ik dit maar weer mee naar beneden nemen dan?” vroeg ze terwijl ze naar het dienblad wees.
“Nee, laat maar staan”, antwoordde ik, vanuit de goedheid van mijn hart.
“Dat dacht ik wel”, lachte ze.
“Ik ga het je bewijzen. Van die mier. Wacht maar af. Ze zijn sterk, sterker dan je denkt.”
Ze liep de slaapkamer uit. Op de gang hoorde ik haar schaterlachen. Die kwam zichzelf nog wel tegen.

Onderweg naar het park werd ik aangeklampt door twee buurtgenoten, een jongen en een meisje. “Is het waar?” vroeg het meisje.
“Is het waar dat een mier me gisteren heeft laten struikelen? Ja, dat klopt”, antwoordde ik.
“Ongelofelijk!”, zei de jongen. Eindelijk iemand die me geloofde.
“Dat valt wel mee, hoor. Mieren zijn sterker dan je denkt”, zei ik simpel.
“Ongelofelijk!”, herhaalde hij. “Ze zeiden al dat je niet wilde toegeven dat je zelf over de losse stoeptegel bent gestruikeld, maar ik wilde het niet geloven…” Blijkbaar was het toch een onwetende sukkel.
Het meisje giechelde onnozel. “Je zet jezelf zo nog veel erger voor lul dan wanneer je het gewoon toe zou geven”, zei ze.
“Jullie zetten jezelf voor lul, door de kracht van de mier te onderschatten”, snauwde ik. “Laat me met rust, ik heb dingen te doen.” Ze hielden op met me te achtervolgen en begonnen druk de recente ontwikkelingen met elkaar te bespreken. Ze hadden zeker niets beters te doen.
Dat was ook eigenlijk in eerste instantie de reden dat ik de stoeptegelregel had uitgevonden. Zodat men weer wat om handen had. Ze waren blijkbaar stom genoeg om het nog cool te vinden ook. Ik had mijn eigen graf gegraven, ze gingen het nu allemaal tegen me gebruiken. Ze wilden dat ik mijn troon afstond, maar dat ging mooi niet gebeuren. Ik zou ze eens wat laten zien.

Eenmaal in het park aangekomen, plofte ik in het gras neer. Ik had een vergrootglas meegenomen en een glazen potje. Ik wist ook wel dat het niet zomaar een mier was die me had laten struikelen, daar was een uitzonderlijk krachtige mier voor nodig. Ik bestudeerde ze die middag en koos zorgvuldig de mieren uit waarvan ik dacht dat ze het in zich hadden. Het was wel even zoeken naar de koningin, maar uinteindelijk had ik haar ook te pakken. Ik nam de uitverkorene mieren mee naar huis en ik stopte ze in het aquarium wat ik mijn vrouw die dag had laten aanschaffen.
“Heb ik dat aquarium híervoor gekocht?” zei ze verontwaardigd, toen ze het potje mieren zag. “Je had me axolotls beloofd!”
“Ja, en jij had me onvoorwaardelijk vertrouwen beloofd, toen voor het altaar, maar dat is er ook niet van gekomen, of wel soms?” zei ik. “Heb je de kelder nog opgeruimd, zoals ik je heb gevraagd?”
“Als ik eens had geweten wat je van plan was had je het lekker zelf mogen doen, als je dat maar weet”, zei ze en ze sloeg boos haar armen over elkaar, om haar woorden extra kracht bij te brengen.
“Popje…” ik legde liefkozend mijn hand op haar wang, maar die sloeg ze weg. “Ik doe dit voor ons allebei. Je verdient het om de waarheid te weten. Het is niets voor jou om bij de onwetenden te horen.”
Ze zuchtte. “Ga nou maar naar de kelder, ik word gek van je.”

De ontbijtjes op bed bleven de dagen daarop uit. Het contact tussen ons eigenlijk ook. Ze weigerde naar de kelder te komen als ze me wilde spreken, dus dan sprak ze me maar niet, als ze zo hardhoofdig wilde doen. Ik had een stretcher naast mijn formicarium neergezet voor het geval dat ik een keer wilde slapen en ik had een mazzel dat ik een poosje daarvoor een wc in de kelder had laten bouwen. Eten was hier ook genoeg, er stonden massa’s ingeblikt voer opgeslagen voor het geval er een keer een crisis uitbrak. Ik vond dat dit een uitstekend voorbeeld van een crisis was. Voor douchen had ik simpelweg geen tijd.

Mijn vrouw dacht dat ik gek was geworden. Ze had mijn werk al gebeld, dat ik behoorlijk ziek was, want door alle chaos was ik mijn maatschappelijke verplichtingen zelf helemaal vergeten. Ik had toch ook helemaal geen tijd om te werken? Niet nu er zoveel op het spel stond. Soms moest je prioriteiten stellen. Dit voelde ook als mijn plicht aan de maatschappij, het was mijn taak dit aan het licht te brengen. Ik had al een paar dagen geen ander mens meer gezien, of zonlicht, maar dat maakte me niet uit. Ik deed belangrijk werk. Mieren waren een van de meest succesvolle bevolkingsgroepen, als we niet uitkeken zouden ze de wereld nog overnemen. Dat een mier me opzettelijk had laten struikelen, bewees dat maar weer.
Ik kende inmiddels alle informatie die er online over mieren te vinden was uit mijn hoofd, maar hoe ging ik ooit bewijzen dat een mier me had laten struikelen?
Dat was een hersenpijnigend vraagstuk. Na drie weken was ik er nog niet uit. Het gebrek aan zonlicht en slaap maakte me langzaam maar zeker aardig depressief.

Ik had inmiddels een aardige kolonie. Ik begon de mieren te herkennen aan waar ze heenliepen en de functie die ze uitoefenden, sommigen hadden zelfs al namen. Aan anderen kon ik me niet gaan hechten, omdat ik er af en toe een paar uit moest halen om proefjes mee te doen. Zo had ik al een paar mieren aan de anabole-steroïden geholpen en er gewichten op laten vallen, maar zonder resultaat. Het gewicht viel gewoon op de grond, in plaats van dat de mieren ze opvingen met hun superkrachten en ze vervolgens de kamer door lieten vliegen. Ik had al een paar mieren plat proberen te stampen in de hoop dat ze mij zouden laten vliegen, maar die beestjes ontweken mijn voeten gewoon. Kom op, doe gewoon wat je die ene keer ook deed, rotbeest. Het leek wel alsof ze me gek wilden laten lijken.

“Lieverd, waar ben je in hemelsnaam mee bezig?”

Haar stem bracht me terug op de aarde. Wie was dat lijkbleke, uitgemergelde figuur, dat met opgetrokken knieen op de koude, betonnen vloer van de kelder zat en zachtjes heen en weer wiegde? En waarom huilde hij? Waarom had hij een pincet in zijn hand, waarmee hij een stel vastgelijmde mieren een voor een uit elkaar trok? Waarom herhaalde hij steeds fluisterend de woorden ‘gaster’, ‘periole’, ‘alitrunk’, ‘head’? Wat betekenden die woorden?
Ik keek om me heen, maar mijn vrouw was nergens te zien. Had ze me niet net geroepen? Het had zo dichtbij geklonken. Ineens miste ik haar. Ik wilde haar in mijn armen nemen. Het leek alsof we elkaar al een eeuwigheid niet hadden gesproken. Hoe enerverend het gezelschap van de mieren ook mocht zijn, er miste iets. De conversaties waren nogal eenzijdig en qua fysiek contact waren ze ook niet echt bevredigend. Ze krioelden alleen maar een beetje over je heen, met hun griezelige pootjes. Ze maakten geen geluid, de stilte werd inmiddels oorverdovend. Ze toonden geen diepe emoties, geen persoonlijkheid. Ze waren allemaal hetzelfde. Niet zoals zij. Zij was anders.

Ik miste haar lach. Haar stem. Haar zachte huid en haar zoetgeurende haren. Waarom had ik zo naar tegen haar gedaan? Waarom was ik al een maand die kelder niet uitgeweest om eventjes te kijken hoe het met haar ging? Ik besefte me ineens hoe egoïstisch ik was geweest. Ik had alleen maar aan mijn eigen behoeftes gedacht en was die van haar helemaal vergeten. Ik had me niet als een goede echtgenoot gedragen. Wat ik haar voor het altaar had beloofd, had ik de afgelopen periode niet bepaald waar kunnen maken. Maar er was nog tijd om het goed te maken.

Ik probeerde op te staan, maar zakte meteen weer op de grond. Ik zag niets anders dan stippels voor mijn ogen. Ineens voelde ik hoe zwak mijn lichaam aanvoelde, hoe leeg mijn maag was en hoeveel pijn alles deed. Langzaam kreeg ik weer wat zicht. De ruimte waarin ik de afgelopen tijd had geleefd was een ravage. De vloer zag zwart van de mieren. Ze kropen over me heen. Ineens voelde ik hoe erg ze kriebelden. Wat was hier in hemelsnaam gebeurd? Alle mieren waren ontsnapt. Het formicarium was gebarsten, had ik dat zelf gedaan?
Ik wist niet hoe snel ik weg moest komen. Ze zouden me nog levend opeten.

Ik rende de trap op, naar boven. Ons huis. Ik besefte me nu pas hoe erg ik het had gemist.
De deur stond open. “Schat?”, riep ik. Ik wist hoe zwak mijn stem moest klinken, ik had heel wat goed te maken. Ik zou het zelfs begrijpen als ze me helemaal niet zou vergeven.
De hele hal zat vol met mieren. Hoe had ze het zover kunnen laten komen? Ik wist hoe erg ze insecten haatte. Was ze er überhaupt nog wel? Of had ze me inmiddels allang verlaten? Zolang was ik nu ook weer niet weggeweest. Ze had best kunnen beseffen dat het maar een fase was, die zo weer over zou gaan. Ik hoopte in ieder geval dat ons huwelijk wel zo sterk was, dat het wel tegen een stootje kon. In voor en tegenspoed, toch?
De woonkamer en de keuken lagen er verlaten bij. Het voelde akelig leeg en stil aan, of misschien kwam dat omdat ik niet zeker wist of mijn vrouw hier de afgelopen tijd had rondgelopen. Er lag een beschimmelde paprika op het aanrecht. Een akelig gevoel bekroop me. Ze maakte altijd haar groentes op. Ik liep de trap op, maar ik voelde meteen haar afwezigheid. Ze was er niet. Wanhopig plofte ik neer op bed. Wat moest ik zonder haar?

Het duurde even voor de muur waar het bed tegenaanstond me opviel. Hij stond helemaal volgekalkt met zwarte, gestifte strepen. Had ze bijgehouden hoelang ik weg was geweest? Ik hoopte dat ze voor iets anders stonden, maar diep vanbinnen wist ik meteen dat dat onzin was. Ze zou nooit ons prachtige behang hebben ondergekalkt als het niet belangrijk was… als het haar niet zoveel pijn had gedaan. Ik begon de strepen te tellen. Bij elke streep die ik telde, zonk de moed me meer en meer in de schoenen. Iedere keer dat ik mijn vinger van steep naar streep verplaatste, voelde als een messteek in mijn zij. Zeshonderdachtennegentig strepen telde ik. Ik zakte op de grond. Ik was bijna twee jaar weggeweest. Of misschien zelfs nog langer. Blijkbaar was ze het op een gegeven moment zat geraakt, en was ze opgehouden met tellen. Ze had het opgegeven. Ze had mij opgegeven.
Waarom was ze me niet komen ophalen? We hadden er toch over kunnen praten? Het was niets voor haar om me hier weg te laten kwijnen en vervolgens weg te gaan zonder afscheid te nemen. Het was niets voor haar om dit twee jaar lang van me te pikken, zonder uitleg. Zeker niet als ze er zo erg mee zat dat ze uit wanhoop zelfs strepen was begonnen te tekenen. De vrouw die ik kende, zou zich niet in haar eentje ellendig zijn blijven voelen. Die zou allang naar beneden zijn gekomen om een verklaring te eisen. Om me verrot te schelden. Om me met geweld mee naar boven te sleuren. Om me te vragen waar ik in hemelsnaam mee bezig was.

“Lieverd, waar ben je in hemelsnaam mee bezig?”

Natuurlijk had ze me dat wel gevraagd. Natuurlijk had ze haar uiterste best gedaan om me uit die ranzige mierenkelder weg te halen. Ze had een stuk beter geweten waar ik mee bezig was dan dat ik het zelf wist. Ze had me proberen te helpen en me langzaam door zien draaien. Ik viel niet te helpen.
Wat had ik gedaan? Oh God, wat had ik gedaan? Voor het eerst in mijn leven voelde ik hoe de pijn die ik vanbinnen voelde, pijn kon doen in heel mijn lichaam.
Het was alsof mijn hart ontplofte. Alsof elke pijnlijke gedachte die ik had, via mijn zenuwen naar buiten moest en mijn spieren aantastte. Ik wist niet wat ik ermee moest doen, maar het was niet om uit te houden en ik begon met mijn hoofd tegen de muur kon bonken. Voor het eerst in mijn leven huilde ik pas echt. Ik had wel eerder gehuild, maar dat was anders, ik kon me nog rustig houden. Dit was oncontroleerbaar. Het was niet wat gesnik en wat gesnotter. Het was eerder een soort geschreeuw.

Ze zette een kopje thee naast me neer. “Wanneer stop je hier nou eens mee?” vroeg ze, ik hoorde het verdriet in haar stem. “Ik mis je.” Ze bleef twee minuten naast me staan wachten op een reactie. Toen ze besefte dat die er niet ging komen, vertrok ze naar boven.

Ik voelde haar naast me op de grond komen zitten. Ze huilde. “Kom nou alsjeblieft mee naar boven”, smeekte ze. Ze trok aan mijn arm. “Blijf van me af!”, schreeuwde ik. Ik gaf haar een zet. Ze viel naar achter, met haar hoofd tegen de betonnen vloer. Verbijsterd keek ze me aan, haar huilen was gestopt. Ze schold. Ze gaf me een mep tegen mijn hoofd. Ze stampte boos naar boven. “Je bent knettergek. “

“Schat?” Ik hoorde haar wel, maar het kwam van ver weg. Even later sloeg ze het A4’tje uit mijn handen. Het zweefde langzaam naar beneden, en de paar mieren die erop hadden gelopen verspreidden zich door de kelder. “Ben je nou helemaal gek geworden? Heb je enig idee hoelang ik daar mee bezig ben geweest?” riep ik woedend.
“Kom nu mee naar boven”, beveelde ze. “Of ik bel het gekkenhuis.
Ik greep haar handhandig bij de keel. Haar ogen werden groot van angst. “Dat zou ik maar niet doen als ik jou was… Je wilt toch niet dat ze jou er straks in stoppen? Ze zien meteen dat jij niets meer bent dan een zielig, levenloos stuk vuil dat niets beters te doen heeft dan haar man constant lastig te vallen, terwijl hij hartstikke belangrijk werk aan het doen is. Je moet me godverdomme eens met rust laten. Als je nog één keer beneden komt, zwaait er wat. Heb je dat begrepen?
Ze zei niets. Ze keek me alleen maar stompzinnig aan. Ik zette iets meer kracht met de hand waarmee ik haar keel vast had gegrepen. “Heb je dat begrepen?
“Ja”, piepte ze. Ik liet haar los. ”En nu oprotten.”

Ik had haar niet beneden horen komen. Geruisloos was ze naar me toe geslopen om me van achteren beet te grijpen en een vochtig doekje in mijn gezicht te drukken. Chloroform, dat rook ik meteen. Het was leuk geprobeerd, maar ze was niet sterk genoeg. Binnen enkele momenten lag ze op haar rug, met mij bovenop haar. “Alsjeblieft, doe het niet… Ik ben het” smeekte ze.
“Oh, jij bent het?” lachte ik. “Oh ja, en dat moest me zeker tegenhouden?” Haar betraande ogen bleven me nog even ongelovig aanstaren, voor ze bewusteloos viel.

“Lieverd… Waar ben je in hemelsnaam mee bezig?” vroeg ze zachtjes. Ik wilde niet dat ze wakker werd. Ik vond het ook niet leuk om dit te doen, maar ik had geen keus. Ze probeerde me te weerhouden van het redden van de wereld. Ze stond aan de verkeerde kant, de kant van de mieren. Ik moest wel, om de mensheid te beschermen. Ik bekeek haar mooie, naakte lichaam. Het zag er zo nog zaliger uit dan normaal, nu ze van top tot teen met honing was ingesmeerd. Waarom hadden we dit nooit eerder gedaan? Ik stelde me voor hoe ik het van haar af zou likken. Helaas was het daar nu te laat voor. Dit was geen kwestie van genegenheid meer, dit was een kwestie van leven of dood. Ik wist wel welke van de twee ik koos. Voor ze nog iets kon zeggen, sloeg ik haar weer bewusteloos. Ze mocht me hier niet vanaf praten.

Het ene na het andere beeld drong zich aan me op, terwijl ik met mijn hoofd tegen de muur beukte. Ik hoopte dat mijn brein me voor de gek hield, maar ik wist diep van binnen meteen dat dat onzin was. Het was niet zo gek dat ik me deze dagen niet meer kon herinneren. Ze waren veel te gruwelijk om te onthouden. Ik dacht altijd dat ik zo normaal mogelijk moest doen en zo min mogelijk mee moest maken om mijn dagen te vergeten, maar het bleek maar weer dat ik er akelig naast zat.

Halsoverkop rende ik de slaapkamer uit, de trap af, de achtertuin in. In het donkerste hoekje van de tuin, verstopt tussen de bosjes en volledig onzichtbaar voor de buren, vond ik haar. Het was in een oogopslag te zien dat ze al een tijdje dood was. Haar hoofd stak uit de grond, als een plant, de rest van haar lichaam zat ingegraven, maar daar was waarschijnlijk niet veel meer van over. Daar had de honing waarmee ik haar had ingesmeerd wel voor gezorgd.
Ik zakte neer bij het hoofd en hield het in mijn schoot, terwijl de tranen langzaam over haar kruin druppelden. Zij zou nooit meer kunnen huilen. Ik haalde de proppen uit haar mond, die had ze nu niet meer nodig. Ze zou ook nooit meer kunnen gillen.
Misschien was het maar beter zo. Wie wilde er in gods naam leven op zo’n verdorven plek waar de mier een van de meest succesvolle bevolkingsgroepen was en waar ze je levend opvraten als je een beetje zoet was? Ik wist niet hoelang ik er had gezeten, bij dat hoofd, dat levenloze hoofd dat nooit meer zou praten. Misschien een nachtje. Of misschien wel twee jaar, je wist het maar nooit.

Toen het ochtend begon te worden waren al mijn tranen op, maar mijn schuldgevoel was daarmee ook uit mijn hoofd gevloeid. Ik had haar niet vermoord, de mieren hadden het gedaan. Die verschrikkelijke, sluwe rotmieren die langzaam de wereld overnamen.
Ik groef haar lichaam uit en laadde het in de achterbak van mijn auto. Vervolgens reed ik naar de kern van het dorp, waar het allemaal begon, bij de losse stoeptegel. Daar legde ik neer wat er nog van haar lichaam over was. De mensen stopten. Ze gilden en ze wezen. Niemand durfde iets te doen, ze stonden alleen maar vol afgrijzen toe te kijken. Ik wachtte tot er genoeg toeschouwers waren voor ik begon met spreken.
“Als een mier dat kan…” zei ik, terwijl ik naar mijn aangevreten, dode vrouw wees, “… dan kunnen ze ook best iemand laten struikelen.”
Het was misschien een harde les, maar ik hoopte dat het nu duidelijk was voor iedereen. Ik was niet het type dat over een losse stoeptegel struikelde. Ik was geen onhandige sukkel met een slechte motoriek. Ik weigerde mijn troon af te staan. Het had me misschien twee jaar, mijn vrouw en mijn leven als doodgewone, vrije burger gekost, maar ik had eindelijk mijn bewijs. “Mieren zijn sterk. Sterker dan je denkt.”

Folkert

Folkert,

Ten eerste wilde ik even zeggen dat het niet mijn bedoeling was om je zo voor gek te zetten bij je vrienden. Ik snap dat je een imago hebt om hoog te houden, en als je vriendin zich dan zo losbandig gedraagd door op de bar te gaan dansen en vergeten is dat ze geen ondergoed draagt, dan snap ik dat dat enige gêne teweeg brengt.
Toch wil ik je er even op wijzen dat jij degene bent die me gevraagd heeft om geen ondergoed te dragen, dus ik zou het fijn vinden als ook jij een deel schuld voor je rekening neemt, hoe moeilijk het ook mag zijn met dat immens grote ego van je. Bovendien wist je allang wat voor vlees je in de kuip had, dus je had dit wel kunnen zien aankomen. Voortaan moet je je dat maar bedenken, voor je weer iemand uitnodigt om deel uit te maken van je verschrikkelijke korpsballenavond.
Ik raad je dan ook aan om het de volgende keer in een andere hoek te zoeken, aangezien je mijn soort toch niet kunt waarderen. Dit voorkomt teleurstellingen voor beide partijen.
Het was leuk voor zolang het duurde. Misschien tot ziens.

Groetjes,
Kim.

De olifantenmuts

Vastleggen in volledig scherm 30-11-2015 183212.bmp

Als je graag de indruk wilt wekken dat je je voedsel in je mond kunt stoppen zonder je handen daarvoor te gebruiken, dan is deze muts echt iets voor jou! Met deze blikkenvanger steel je gegarandeerd de show, en het is weer eens wat anders dan de veel voorkomende emo-pandamuts.

Net als de huid van een olifant voelt de muts een beetje stug aan, maar wees niet bang: er zijn geen echte olifanten voor mishandeld, en het is gemaakt van uit elkaar vallend kunstwol, dus hartstikke vegan verantwoord! Zo ziet iedereen in één oogopslag dat je een echte dierenvriend bent! De muts heeft zoals je ziet slagtanden, maar daar heb je minder aan dan dat het eruit ziet. Er zitten geen spieren in de muts die je aan kan spannen en bovendien zijn de slagtanden erg buigzaam en zacht, dus als je de intentie hebt iemand te slachten, raad ik je aan om je eigen tanden te gebruiken, of anders een hakbijl. De hakbijl zit helaas niet bij de muts inbegrepen, maar die kun je vinden in de meeste doe-het-zelf zaakjes of in het tuinhuisje van je vader.

Waar vind ik zo’n prachtige hoofddeksel?
Deze muts komt van een kraampje in de Jaarbeurs Utrecht, tijdens de Mega Record & CD Fair, die twee keer per jaar plaatsvindt. Op het prijskaartje staat het geheimzinnige woord ‘Merchandise’. Officieel kost deze muts €9,99, maar omdat ze graag hun kraampje af wilden sluiten voor de dag en we maar langzaam alle mutsen bleven overwegen (welke dierenmuts vertegenwoordigt het beste ons karakter?), kwamen ze met het onweerstaanbare voorstel: vier mutsen voor €10,-!

Hier is hun webshop:
www.holeinthewallposters.com
Al heb je daar niet bijster veel aan als je deze muts zoekt. Die staat namelijk helemaal niet op de site. Maar je kunt er wel mooie koffiemokken vinden.

 

 

 

Killer Samurai Sudoku #7

Het was een van de maandelijkse vaste eetavonden van onze vriendengroep. Goed verzadigd zaten we al een geruime tijd na te tafelen en er waren al enkele flessen alcohol versleten. Voor de zoveelste keer dreigden onze glazen leeg te raken, wat natuurlijk uit den boze was, en er werd onrustig heen en weer geschuifeld door alle aanwezigen. Het idee alleen al dat iemand van ons zodadelijk een slok zou willen nemen en dat dat niet direct mogelijk was, was beangstigend. “Jij bent aan de beurt”, zei Klara, die tegenover me zat, tegen haar man. Hij wierp haar een vuile blik toe en stond op.
“Wat?” snauwde ze tegen ons. “We gaan gewoon netjes het kringetje af, hoor.”
Mijn man en ik keken elkaar aan. “We zeggen toch niets?”
“Weet je wat het probleem is?”, zei de man van Klara, toen hij terugkwam met een dienblad vol gevulde glazen. “Het is heus niet dat ik niet wil opstaan, ik weet namelijk best dat ik aan de beurt ben, maar de toon waarop jij me erop wijst, die bevalt me niet. Je wilt graag doen alsof je de macht over me hebt tegenover je vrienden.”
“Wat is dat nou weer voor onzin?” lachte Klara spottend. Ze nam een slok uit haar glas en trok een vies gezicht. “Jezus. Wat is dit voor bocht? Hoe vaak moet ik je nou nog zeggen dat ik DROGE witte wijn drink, geen ZOETE? Dringt er ooit iets door in dat zaagselhoofd van jou?”
“Dit bedoel ik dus, Klara. In plaats van dat je me er rustig op wijst dat ik een vergissing heb gemaakt…”
“Zal ik je er anders even op wijzen, schat, dat je die vergissing al zo’n vijfhonderd keer gemaakt hebt? Is het dan zo moeilijk om te onthouden wat voor drankje je eigen vrouw lekker vindt?” Ze zuchtte overdreven en richtte zich toen tot mij. “Wat voor wijn heb jij?”
Ik nam een slok. “Droge”, zei ik en hief daarna mijn glas op naar Klara’s man. “Heerlijke wijn, bedankt.”
“Zie je, van haar weet je het wel”, zei ze beschuldigend. “Maar ja, ik zal er geen probleem van maken, ik drink deze gore zoete troep wel gewoon op, zo ben ik dan ook wel weer. Ga maar zitten.”
Hij ging zitten en keek nors voor zich uit. Hij was nooit echt een fan geweest van onze etentjes, omdat hij eigenlijk niet echt bij onze vriendengroep hoorde, maar nou eenmaal de man van Klara was. Het was meer een verplichting. O wee als hij een keertje niet aanwezig was… dan kreeg hij het wel te horen van Klara. Ik was het stiekem best met hem eens dat ze altijd naar tegen hem deed als wij er waren en het was absoluut niet zo dat ik haar daar cooler door ging vinden. Eigenlijk wilde ik haar er graag op aanspreken, maar ik wilde liever de vrede bewaren en me vooral zo min mogelijk met andermans huwelijk bemoeien.
“Hallo zeg, er zijn ook nog mensen die wel van zoete witte wijn houden, hoor”, zei Lara. “Fijn dat je mijn drinklust probeert te bederven.”
“Ach, je bent sowieso al bedorven van binnen als je dat drinkt voor je plezier”, zei Klara.
Mijn man en ik keken elkaar aan en lachten. Niet omdat we het grappig vonden wat Klara zei, maar omdat we in elkaars ogen konden lezen dat het de hoogste tijd werd om op te stappen.
“Schat?” zei ik op mijn allerliefste stem tegen mijn man.
“Ja, wij moeten er vandoor he?” zei hij.
“Ja… wil jij anders…”
“Alvast de stoelverwarming aanzetten?” maakte hij mijn zin af. “Natuurlijk, lieverd, ik wil niet dat je straks koude billen krijgt!”
Ik gaf hem een zoen en zei: “Je kent me ook zo goed! Ik verzamel je spullen wel even.”
“Je bent geweldig.” Hij stond op, ging achter me staan en sloeg zijn armen om me heen. “Ik ben ook zo rommelig, maar mijn schat weet altijd waar ik alles heb gelaten. Nou, dag jongens, het was me weer een waar genoegen!” Hij liet me los en verliet de eetkamer van Klara.
“Ik ga naar bed. Dag iedereen”, zei Klara’s man. Nu mijn man weg was, met wie hij het nog redelijk kon vinden, was er voor hem niemand meer echt de moeite waard om te blijven zitten en ook hij verliet de ruimte.
“Hoe doen jullie dat toch?” vroeg Klara. “Jullie zijn zo perfect… Vullen elkaar geweldig aan… Het is om misselijk van te worden.”
Ik verbaasde me er ook over. Vooral als ik keek naar hoe Klara en haar man altijd tegen elkaar deden. In iedere simpele conversatie die ze voerden leken wel hatelijke opmerkingen verborgen te zitten. Oke, Klara was dan wel een zeikerige trut, maar eigenlijk leken de meeste stellen die ik kende meer op hen, dan op ons. Misschien was het onze gezamelijke passie die ons op zo’n manier deed verbinden. Misschien dat, als we beiden niet zoveel van sudoku’s hadden gehouden, er van ons ook niet veel meer overbleef dan een hoop gesnauw en ergernis, maar ik kon het me eigenlijk niet voorstellen. We waren nu eenmaal voor elkaar bestemd, daar kon niets of niemand iets aan veranderen.

Toen mijn man de volgende dag thuiskwam van zijn werk, gooide hij zes kranten op tafel. “Alsjeblieft, schat. De allernieuwste.”
“Dank je wel!” zei ik. “Daar zat ik op te wachten. Ik heb tegen elven vanochtend de laatste uit Killer Samurai Sudoku #7 afgemaakt… Ik had echt niets meer te doen! Ik moest als afleiding gaan computeren… Jezus, wat saai! Wat doet iedereen toch op zo’n ding? Waar zijn jouw kranten eigenlijk?”
Hij ging naast me op de bank zitten en keek me aan met een bezorgde blik. “Ik hoop dat je het niet erg vindt, maar ik heb de mijne allemaal al op mijn werk gemaakt… Ik kon me weer eens niet inhouden.”
“Natuurlijk vind ik dat niet erg. Als je maar niets voorzegt!” zei ik toen ik zag dat hij meekeek naar de eerste sudoku uit de Metro-krant die ik zojuist had aangebroken.
“Ik zal me er niet mee bemoeien”, beloofde hij en hij zette de tv aan. “Staat hij te hard? Kun je je wel concentreren?”
“Ja hoor”, zei ik. “Alsof zoiets onbenulligs als een tv me kan afleiden van waar het werkelijk om draait.” Ik lachte bij dat stompzinnige idee en begon ijverig en verheugd de missende getallen in te vullen, al waren de sudoku’s die in de metro verschenen een eitje voor zulke vergevorderde sudokuliefhebbers als ik.

Twee weken later viel er een brief van de Metro op de deurmat. Ik was razend benieuwd naar wat het kon zijn, maar ik wilde hem eigenlijk niet openen voor mijn man thuis was. Misschien had hij me wel op de een of andere manier willen verrassen door naar de Metro te schrijven hoe gepassioneerd ik over sudoku’s was en had hij zo een interview kunnen regelen, zodat ik al mijn ervaringen en gevoelens over mijn passie met de wereld kon delen. Indien dat het geval was, wilde ik de brief op zijn minst samen met hem openen zodat ik verbaasd, dankbaar en smoorverliefd in zijn armen kon vallen.
Omdat de spanning me teveel werd en ik al een uur naar het Metro-Logo op de brief had zitten staren, ging ik op bezoek bij Klara om afleiding te zoeken, al was ze niet de allerbeste afleiding die een mens kon hebben. Bovendien was ik helemaal niet afgeleid, want de brief bleef maar door mijn hoofd spoken. Klara was helemaal niet enthousiast. “Waarschijnlijk is het gewoon spam”, zei ze. “Wind je toch niet zo op, mens.”
“Ze sturen helemaal geen spam. Het moet iets belangrijks zijn. Iets wat mijn man voor me heeft geregeld…”
Plotseling stond Klara op en keek boos op me neer. “Weet je, ik ben je eigenlijk hartstikke zat. Waarom probeer je het er de hele tijd zo in te wrijven dat jullie zo’n perfect stel zijn en wij niet?”
“Maar…” stamelde ik. “Dat probeer ik helemaal niet! Echt niet!”
“Dat doe je wel! Het is constant ‘mijn schatje dit, mijn liefje dat, kijk wat hij voor me heeft gedaan, kijk hoe goed we bij elkaar passen’… BAH! Je vraagt nooit hoe het met mijn relatie gaat… Wil je het weten? Die is RUK”, schreeuwde ze, terwijl de tranen over haar wangen begonnen te stromen.
“Weet je waarom je relatie ruk is, Klara?” zei ik boos, terwijl ik ook ging staan. “Omdat je een negatieve bitch bent die alles stom vindt en alleen maar loopt te klagen! Heel cool hoor, die constante fuck-you houding, maar het zorgt er wel voor dat je uiteindelijk niemand overhoudt!”
Ik stampte weg en ik was niet van plan om ooit nog terug te keren. Die strontvervelende maandelijkse etentjes kwamen me sowieso mijn neus uit. Ik kon mijn tijd veel beter benutten met sudoku’s maken.

Toen ik thuiskwam, stond mijn man meteen op van de bank, hij liep naar me toe en knuffelde me stevig. “Lieverd! Ik heb geweldig nieuws!” Ik was lichtelijk teleurgesteld toen ik de geopende brief van de Metro op tafel zag liggen. Hij had me dus niet willen verrassen, maar als hij had gedacht dat ik dat wel had willen doen, vond hij het blijkbaar veel minder belangrijk om zoiets samen open te maken.
Ik maakte me los uit zijn omhelzing. “Wat dan?”
“We hebben een weekendje in de Franse Ardennen gewonnen! Door onze sudoku-inzending!”
Eindelijk. Al die jaren van trouw elke dag twee Metro’s kopen zodat we allebei een sudoku hadden, al die jaren trouw ons antwoord doorsturen, had ons nu dan toch beloond.

Daar zaten we dan, in de Franse Ardennen. Midden in een prachtig, stil, verlaten bos. Het was hier zo heerlijk rustgevend, er waren geen afleidingen, geen vervelende straatgeluiden, geen irritante huishoudelijke taken om te verrichten… Hier konden we ontspannen.
Dit leek me het perfecte moment om mijn sudoku vakantieboek erbij te pakken, die ik alleen aanbrak voor dit soort speciale gelegenheden, maar toen ik hem uit mijn tas haalde, pakte mijn man hem af. “Lieve schat… we zijn samen op vakantie. Vind je niet dat we eens wat aandacht aan elkaar moeten besteden?” vroeg hij, en met een veelbetekenende blik kwam hij dichterbij om me te zoenen. Mijn eerste gedachte was hem wegduwen en mijn boek weer terugpakken, maar ik besloot om niet te protesteren, hij had ook eigenlijk wel gelijk… er waren nog andere dingen in het leven dan sudoku’s.
Even later lagen we hijgend naast elkaar op bed. Ik kon me eerlijk gezegd niet herinneren wanneer de laatste keer was dat dat was gebeurd. “Zie je nou wel, schat? Geeft dat niet veel meer voldoening dan ontdekken welk cijfertje waar moet?” vroeg hij gelukzalig.
“Ja…” zei ik, maar terwijl ik het zei besefte ik dat het niet waar was. Wat ik normaal altijd deed als mijn man en ik klaar waren in de slaapkamer, was mijn sudokuboek pakken en dan maakten we er samen een, maar op dit moment leek dat niet het juiste om te doen. Ik voelde een soort druk om alleen maar samen met hem te zijn, maar eigenlijk had ik geen idee wat ik nu tegen hem moest zeggen. Hij blijkbaar ook niet. We lagen een halfuur zwijgend naast elkaar en ik voelde me ontzettend ongemakkelijk. Op een gegeven moment werd het me teveel en liep ik naar de woonkamer.

Toen hij even later op de bank kwam zitten en hij zag dat ik mijn boek weer had gepakt, zei hij: “Schat…” Ik zuchte, legde mijn boek neer en keek hem afwachtend aan. Er viel een doodse stilte. “Mooi hier, he?” zei hij. “Ja”, antwoorde ik. “Heel… rustig.”
Plotseling hoorden we een harde bons op de deur. “Wat was dat?” zei ik paniekerig.
“Ik weet het niet, schat… vast niks bijzonders…” zei hij, maar hij klonk niet gerust, zijn stem trilde. “Zullen we gaan kijken voor de zekerheid?” We stonden op en slopen naar de deur. Plotseling vielen alle lichten uit, ik kon geen hand voor ogen meer zien. Terwijl mijn man door het kijkgaatje in de deur gluurde, klonk plotseling het geluid van brekend glas in de woonkamer. Van angst en schrik piste ik in mijn broek. “Shit, er is hier iemand!” huilde ik. “Dit was een val!”
“Dat is belachelijk”, zei mijn man. “Het zijn gewoon inbrekers. We moeten wegwezen.” Gewoon inbrekers, midden in een verlaten bos? Ik vond het erg onlogisch klinken, maar er was geen tijd om erover te discussieren, we moesten wegwezen, en snel ook. Halsoverkop renden we de deur uit en onwillekeurig schoten mijn gedachten even naar mijn sudokuboek, maar mijn leven redden was op dit moment belangrijker.

Toen we de longen uit ons lijf hadden gerend en we zeker wisten dat we niet of niet meer gevolgd werden, stopten we. “Wat doen we nu?” vroeg ik. “We staan midden in een donker bos, we weten de weg niet, het dichtstbijzijnde dorp is veertig kilometer verderop… dat redden we nooit.”
Mijn man dacht even na. “Je hebt gelijk. We gaan dood als we in dit bos verdwalen… Misschien moeten we teruggaan. Als ze iets wilden stelen zullen ze dat inmiddels wel gedaan hebben.”
Ik vond het doodeng, maar het was inderdaad onze beste optie. We hadden geen telefoons bij ons, geen portemonnee. We konden hier niets beginnen, zelfs al kwamen we levend aan in een dorp. We begonnen terug te lopen en keken behoedzaam om ons heen. Mijn hart bonsde heftig en de cijfertjes dansten voor mijn ogen. Toen ons vakantiehuisje in zicht was verstopten we ons even in de bosjes en wachtten we af of we iets hoorden of zagen, maar het leek volkomen stil en verlaten. Ik keek mijn man aan en hij knikte.
Voorzichtig naderden we het huisje en we gingen naar binnen. Net toen we hadden vastgesteld dat er niemand meer was, hoorden we de voordeur dichtslaan. Ik klampte me aan mijn man vast en luisterde naar de zware, naderende voetstappen.

“Nu heb ik jullie… eindelijk”, zei een man die we nog nooit van ons leven hadden gezien. Hij was rond de veertig jaar, schatte ik, met verstrooide, grijze haren en een wilde blik in zijn ogen. Toen hij gemeen grijnsde kwam er een rij bruine, afgebrokkelde tanden tevoorschijn. Hij hield een pistool op ons gericht en hij kwam dreigend dichterbij. “Hebben jullie een fijne wandeling gemaakt?”
Ik wist niet zo goed wat ik daarop moest antwoorden. Het was geen fijne wandeling geweest en dit was niet bepaald wat ik me had voorgesteld van een ontspannen weekendje in de Ardennen. Ik besloot dat ik maar het beste mijn mond kon houden.
“Geen fijne wandeling? Oh, dat is jammer… Ik dacht, laat ik eens wat spanning in jullie leven brengen! Dat hebben jullie wel nodig, geloof ik. Walgelijke sudokumensen… Als er iets is wat ik haat zijn het wel sudoku’s. Ik moest ze vroeger altijd maken van mijn moeder, als ik stout was geweest… Dan werd ik opgesloten in een kleine kamer zonder ramen, met als enige vermaak een sudokuboekje. Als ze me weer vrijliet en ze vond dat ik er te weinig had gemaakt, sloot ze me gewoon weer op.”
Dat was toch geen straf? Het leek me juist helemaal het einde, voor eeuwig in een kamertje zitten met alleen maar sudoku’s, maar dat kon niet, er waren altijd weer van die dingen die zo onbelangrijk leken maar die toch moesten gebeuren…
“Zoiets zouden we nooit iemand aandoen”, zei mijn man, alsof het iets heel ergs was. “Wij zouden anderen nooit lastigvallen of pijn doen met onze hobby.”
“Ik heb eens zitten denken, he… Als niemand een sudoku zou maken en niemand de oplossing op zou sturen, zou er niets aan de sudoku’s in de krant verdiend worden”, vertelde de man. “Omdat jullie ze maar blijven invullen en iedere keer betalen in de hoop dat jullie iets winnen, blijven ze steeds maar weer geplaatst worden, waardoor IK ze de hele tijd te zien krijg. Jullie vallen wel degelijk anderen lastig met jullie hobby. Weet je wel niet hoeveel pijn het doet om iedere keer weer aan mijn jeugd herinnerd te worden?” De man schreeuwde inmiddels.
Ik betwijfelde ten zeerste of het zo werkte, maar het leek me geen slim idee om tegen hem in te gaan. “Het spijt ons”, zei ik. “Dat was niet onze bedoeling. We zullen nooit meer de oplossing versturen, goed?”
“Fout antwoord…”, zei hij dreigend. “Ik denk dat ik de juiste oplossing heb gevonden. Eens even kijken… ik heb een geladen pistool in mijn hand. Zometeen zullen jullie nooit meer in staat zijn een sudoku op te lossen. Hmm… wat mist er nu nog om dit plaatje compleet te maken?”
Mijn man en ik waren compleet versteend en we konden hem alleen maar aanstaren. “Jeetje”, zei de man verveeld. “Voor een stel gevorderde sudokufreaks zijn jullie niet bepaald snugger. Zal ik het antwoord dan maar zeggen? Het enige wat er nog mist, is dat jullie hersenen nog niet uit elkaar gespat zijn en ik vrees dat ik daarvoor toch echt de trekker moet overhalen. Ik kan die sudokuhoofden van jullie niet meer aanzien.”
Ik zakte op de grond en begon geluidloos te huilen. “Je hoeft dit niet te doen”, smeekte mijn man. “We zullen nooit meer een sudoku aanraken, dat beloof ik je. Ik vond ze toch al nooit zo leuk.”
Ik kon mijn oren niet geloven. Op het laatste moment van zijn leven, verraadde hij datgene wat hij lief had gehad. Dit ging hem zeker een enkeltje hel opleveren.
“Wat zeg je nou?” zei ik beledigd. Ik kon mijn woede en verbazing niet voor me houden, zelfs al stond er een geschifte man in de kamer die een pistool op me richte.
“Het spijt me lieverd, maar…” hij draaide zich naar mij toe. “Ik hou helemaal niet van sudoku’s. Eerlijk gezegd vind ik ze oersaai en deed ik alleen maar alsof, om jou het bed in te krijgen… en toen bleek het heel je leven te zijn. Ik vond het wel lekker rustig… Af en toe een sudokuutje maken had ik er wel voor over om bij je te zijn.” Ik zag heus wel dat hij het moeilijk vond en dat hij van me hield, maar dit kon ik hem niet vergeven. Heel mijn leven, heel ons leven samen, bleek een leugen te zijn.
“Je deed ze zeker ook helemaal niet op je werk, he…” het viel me ineens op hoevaak hij die truc wel niet had gebruikt zodat hij lekker tv kon gaan zitten kijken terwijl ik, even vastberaden als altijd, alle sudoku’s in de krant invulde. Nu pas begreep ik waarom.
“Nee… Het spijt me, lieverd… Dit is jouw passie, niet de mijne. Ik dacht gewoon… Ik dacht gewoon dat je me alleen maar leuk vond omdat je dacht dat ik ook van sudoku’s hield.” Ik wilde ertegenin gaan, maar ik kon het niet, want hij had gelijk. Nu ik wist dat we in werkelijkheid niets met elkaar gemeen hadden, voelde ik alleen maar nog maar afschuw.
Ik was even vergeten in welke situatie we ons op dit moment bevonden en ik keek naar de man die in de woonkamer had gestaan, maar hij was verdwenen. Hij had ons ongeschonden laten gaan.

Nou ja, ongeschonden? Blijkbaar was het feit dat hij onze band voorgoed had verpest goed genoeg voor hem geweest, omdat hij wist dat er voor mij nu ook een eeuwige vloek op de sudoku lag. Iedere keer dat ik er een probeerde te maken werd ik weer herinnerd aan die vreselijke nacht in de Ardennen, de nacht dat mijn hele leven uit elkaar viel. Iedere keer als we weer aan de tafel zaten bij Klara, kon ik alleen nog maar snauwen tegen mijn man en in iedere simpele conversatie die we voerden zaten hatelijke opmerkingen verborgen. Iedere keer als ik iets in mijn hoofd op een rijtje probeerde te zetten, raakte ik alleen maar meer in de war, alsof ik een sudoku was die niet klopte.

Een memorabel logeerpartijtje

Bij een innige beste vriendinnen-schaps band horen vele logeerpartijtjes. Soms bij de één, soms bij de ander.
Een opmerkelijk logeerpartijtje wat ik me nog kan herinneren alsof het gisteren was, was die met Nonie.
We waren een jaar of elf. Met mijn zus sliepen we in een kamer. Er werden verhalen verteld, leraren opgebeld en nog veel meer van dit soort praktijken. Maar een ding miste er en dat was snoep, chips en ijs.
Desbetreffend voedsel was aanwezig in het huis. Het was echter allang bedtijd geweest en mijn vader zat op dat moment in de woonkamer tv te kijken.
Dit betekende dat we zo stiekem mogelijk de kasten moesten plunderen. We verzonnen een perfect afleidingsmanouvre.
Met zijn drieën slopen we naar de keuken. De één zette de kraan keihard aan, de ander liep de woonkamer in om mijn vader te verrassen met een heus optreden. Hard en vals werd er voor hem gezongen, zodat de derde persoon ondertussen ongemerkt iets uit de kast kon pakken.
Keer op keer deden we dit. Afgewisseld door mijn zus en ik werd mijn vader steeds gestoord in zijn tv-programma door onze prachtige stemmen. Ondertussen hadden we een hele voorraad aan snoep, chips en ijsjes te pakken gekregen.
Even later ging mijn vader lopen met de hond. Wij zagen natuurlijk onze kans schoon om nogmaals de kast te plunderen, maar toen ik één van de gesnaaide koekjes in mijn mond stak om hem op te eten, stikte ik erin. Mijn zus deed de heimlich greep op me en ik braakte op de grond. Snel moesten we het opruimen om niets te laten merken. Het logeerpartijtje was hiermee tot een tragisch eind gekomen.

Tabblad

Tabblad, oh, tabblad.
Ik ben het zo zat.
Je stapelt je op
Oh tabblad, please, stop.
Zonder genade
Nog meer tabbladen.
Tabblad, oh, tabblad.
Ik ben het zo zat.

Meuk

Hoewel ik wist dat ze doorhad dat ik naar haar keek, liep ze gewoon door zonder me ook maar één blik waardig te gunnen. Ik nam het haar niet kwalijk, ze had natuurlijk geen enkele reden om nog eens om te kijken naar zo’n man als ik, maar het betreurde me. Als we toch eens een keer met elkaar konden praten, zou ze erachter komen dat ik meer was dan alleen de vuilnisman. Maar waarom zou ze dat doen? Ze had alles wat haar hartje begeerde; het huis, de man, het kind, leuke vriendinnen, een betrokken famillie. Waar had ze mij dan nog voor nodig? Wat kon ik haar geven wat ze nog niet had, behalve een lege vuilnisbak?
Trouwens, als ik er niet was om haar vuilnis op te halen, had iemand anders het wel gedaan, dus in feite had ik haar helemaal niks te bieden. Waarom had ik dan toch zo het gevoel alsof ik dat wel had? Waarom had ik dan toch zo de behoefte me met haar te bemoeien?

Eenmaal thuisgekomen na een lange zware dag storte ik me meteen op de grote vuilniszak die ik die middag had weten te bemachtigen. Of nouja, niet dat ik er veel moeite voor had hoeven doen aangezien het mijn taak was vuilnis mee te nemen, maar toch. Hoe weinig moeite ik er ook voor hoefde te doen, het bracht me de voldoening van de wereld, zoals altijd, het nu in mijn bezit te hebben.
‘Man, wat moet je toch met al die troep?’ zei mijn huisgenoot en beste vriend, zonder echt op een antwoord te wachten. Hij zou waarschijnlijk nooit begrijpen waarom ik zo blij werd van een ouwe vuilniszak met als inhoud grotendeels afval, maar dat hoefde ook niet. Hij liet me mijn gang gaan, zolang hij geen last hoefde te hebben van andermans afval wat rondslingerde. Dat liet ik ook niet gebeuren.
Wat hij niet wist was dat het voor mij niet zomaar afval was, maar een grote schat. Een ding is zeker en dat is dat afval meer over iemand zegt dan je denkt, en als ik haar niet op een normale manier kon leren kennen, dan moest het maar zo.

Eigenlijk was ik sinds het verzamelen van haar afval meer en meer verliefd op haar geworden. Toen ik haar nog niet goed kende en een nieuwe wijk had opgekregen (haar wijk dus, haar mooie wijk), was ze me meteen opgevallen, maar ik heb geen enkele keer de kans gekregen met haar te praten. Ze was lang, blond, mooi, mysterieus, en steenrijk. Of nouja, dat was zij niet, maar haar man. Zij kon al het geld opmaken wat hij verdiende. En een beetje voor hun baby zorgen. Al had ik haar baby nog nooit gezien, maar aan de luiers tussen het afval te zien hadden ze er één. Ik moest maar net geluk hebben wilde ik haar toevallig tegenkomen. Ik moest maar nét op het goede moment haar straat doen en dan moest zij maar net op dat moment thuiskomen of weggaan. Dat gebeurde maar zelden, maar dat maakte het mysterieus, en omdat ze lang, blond, mooi en steenrijk was, mocht het.
Als ik haar dan toevallig tegenkwam, en ik zei haar gedag, of ik lachte naar haar, of ik zei dat ze niet zo boos moest kijken, negeerde ze me, terwijl ik haar alleen probeerde op te vrolijken. Maarja, ik was natuurlijk niet degene die haar op mocht vrolijken. Haar man en haar kind, haar vriendinnen, haar famillie, die mochten dat doen. En ik mocht alleen maar toekijken. Ik mocht hun restjes hebben, waarin ik maar voor een miniscuul beetje op kon vangen hoe ze leefde.

Het was niet zo dat ik ieder leeg blikje kattenvoer van haar koesterde en op een altaar zette, ik was niet aan elk ranzige beetje afval van haar gehecht, maar er zaten af en toe dingen tussen die van belang waren, en ik kwam nog eens iets over haar te weten.
Zo wist ik bijvoorbeeld dat ze dol was op witlof, aan haar kassabonnen te zien at ze het minstens twee keer per week. Ook werd ze vaak verwend met dure hotelletjes en etentjes. De moed zonk me meer en meer in de schoenen bij het zien van zulke praktijken, want er was geen enkele kans dat ze haar luxe leventje zou opgeven voor een armoedzaaiertje als ik. Ook haar kat kreeg alleen het beste van het beste te eten, terwijl ik de mijne voerde met euroshopper. Waarschijnlijk vond haar kat zichzelf ook te goed voor de mijne, aan haar loopje te zien was het een snobbistisch beest.
Ik had er al eens over nagedacht het beestje te ontvoeren en haar terug te brengen en de held uit te hangen. Wat zou ze blij met me zijn… maar ik wilde haar het liefst zo min mogelijk verdriet doen.
Ik negeerde de opmerking van mijn huisgenoot en scheurde de kersvers gescoorde vuilniszak open. Naast me zette ik mijn eigen vuilnisbak neer, om de dingen die ik niet kon gebruiken meteen in te deponeren. Ik trok mijn handschoenen aan en graafde mijn weg door wat etensresten. Al gauw kwam ik een maandverband tegen, en ik twijfelde nog even wat ik ermee moest doen: het had natuurlijk wel tussen haar benen gezeten, maar toen besloot ik dat het bewaren hiervan mischien wel een tikkeltje ver ging. Ook vond ik een dikke envelop met rekeningafschriften van haar man. God, wat kocht die vent veel kleding voor haar. Even een middagje shoppen, bijna duizend euro verder. Dat zou ik haar niet kunnen bieden. Waarschijnlijk kreeg ze ook nog eens geregeld een nieuwe garderobe, want in deze vuilniszak zat nog kleding ook. Een paar dure shirts en 2 broeken. In plaats van dat ze het gewoon aan iemand weggaf… Ik viste ze eruit en deed ze in de wasmachine, en nam me voor ze aan mijn zusje te geven, die had zo ongeveer hetzelfde postuur.
Mijn hart sprong op toen ik een envelop vond met een handgeschreven adres. Brieven waren mijn favoriet. Zo te zien was hij aan de man gericht. Verheugd trok ik hem uit de envelop.

Lieve Evert,
Ik wilde je nog even bedanken voor de fantastische tijd die we samen hebben gehad.
Je hebt me ontzettend verwend en je weet echt hoe je iemand bijzonder moet laten voelen. Ik heb me geen moment druk om haar hoeven maken, je liet me echt voelen alsof ik de enige voor je was. Maar we weten allebei dat het zo niet langer door kan gaan, hoe moeilijk het ook is. We moeten ons eigen leven weer gaan leiden, je hebt een kind om voor te zorgen en ik kan niet langer leven met dit schuldgevoel jegens je vrouw en je dochter.
Ik wil je nogmaals ontzettend bedanken, je hebt me veranderd als persoon. Je hebt me geleerd mezelf en anderen te waarderen en dat zal ik nooit vergeten.
Het ga je goed, liefste.
Clarice.

Het eerste wat in mijn hoofd omging na het lezen van deze brief was: welke mongool schrijft er nu weer zo’n brief naar een vreemdgaande man, dat is toch vragen om problemen? Waarna ik me afvroeg wie er nu sowieso nog brieven schrijft. Ook vervloekte ik de man. Dan heb je zo’n fantastische vrouw, voor zover ik kon weten, en dan nog moet je persee zo’n dramatische slet erbij hebben. Aan haar handschrift te zien was het een kutwijf. Eerst laat je jezelf even verwennen met dure hotels en etens en kleding, en als je jezelf eenmaal waardeerd is de man overbodig. Kut Clarice. Kut Evert.
Maar ik was ze ergens ook dankbaar, want deze brief was het ultieme bewijsstuk dat die man niet deugde, en dat ze bij hem weg moest gaan; maar ik wist wel dat als ik hier iets mee zou uithalen, ik haar leven compleet overhoop zou gooien. Was het aan mij om dit aan te richten?
Niet alleen dat, maar had ik er ook wat aan? Zou ze niet gewoon woedend zijn, haar leven haten en compleet vergeten dat er een achterliggende reden was dat ik haar dit liet zien? Bovendien wilde ik liever niet dat ze wist dat ik in haar vuilnis liep te snuffelen. De mensen met wie ze omging zouden dit waarschijnlijk niet doen, dus als ik iemand wilde zijn met wie ze omging zou ik het eigenlijk ook niet mogen doen. Ik wist niet of ik nou blij moest zijn met deze brief of dat het een belasting was. Voorheen had het binnendringen van haar leven onmogelijk geleken, slechts een mooie droom. Met deze brief had ik de mogelijkheid haar van haar man te scheiden, maar geen idee hoe ik het zo moest aanpakken dat ze me dankbaar in de armen zou vallen en zou beseffen dat ik dit uit onvoorwaardelijke liefde had gedaan, waarna ze voor altijd bij me zou blijven.
Ik legde dit dilemma voor aan mijn huisgenoot, die me erop wees dat vuilniszakken konden scheuren en dat madame natuurlijk niet kon weten dat de brief oorsponkelijk in een envelop hoorde te zitten.

Toen ik mijn ronde door haar mooie buurt deed, met de brief en rekeningafschriften in mijn kontzak, gierden de zeuwen me door het lijf. Ik stond op het punt een leven te veranderen, of misschien zelfs wel twee, met een beetje geluk die van mij erbij. Mijn benen voelden aan als elastiek, want ik wist totaal niet wat ik moest verwachten. Moest ik niet wat voorbereidend werk doen, een praatje met haar maken? Nu zou ik namelijk alleen maar de vuilnisman met het slechte nieuws zijn, ik maakte geen schijn van kans, maarja, wat moest ik anders? Ze zou me tenminste opmerken. Was ik een lul?
Toen ik haar haar auto onhandig in zag parkeren, wist ik dat ik snel moest handelen. Als ze naar binnen zou gaan was mijn kans verkeken, ik had alvast met mezelf afgesproken dat ik niet zou aanbellen, er mocht geen kans bestaan dat haar man ons hoorde praten.
Ik stapte op haar af, en terwijl ik bijna bezweek onder de zenuwen schraapte ik mijn keel, waarna ze geschrokken omkeek en achteruit deinsde toen ze zag dat ik het was.
‘Lieve meid, ik wil het graag even met je ergens over hebben..’ begon ik. Ze keek verbaasd, verder was er weinig van haar gezicht af te lezen, het zou over van alles kunnen gaan.
Ik haalde de brief uit mijn zak. ‘Vorige week scheurde perongeluk de vuilniszak open toen ik hem in de…’
‘Ja? Ik heb niet heel de dag de tijd’ onderbrak ze me snauwend.
Ik was even van mijn stuk gebracht, maar wat dacht ik eigenlijk? Dat ze meteen hartelijk met me zou praten? Ik was de vuilnisman maar.
‘Deze brief viel eruit, en ik werd nieuwschierig, sorry. Ik vond dat je het moest weten.’ Ik gaf haar de brief en ze begon te lezen. Haar blik verried niets. Toen ze klaar was, stpte ze ‘m in haar zak. Ze keek me eventjes aan, met een blik die ik niet kon plaatsen.
Stond ze me nou te observeren?
‘Je hebt dit uit liefde gedaan, ik weet het. Het is me heus wel opgevallen, de manier waarop je naar me keek. Zo keek Evert ook altijd naar Clarice’, zei ze.
Ik weet niet wat ik had verwacht, maar dit was wel het laatste. Ik wist natuurlijk niets over de situatie van Evert en Clarice, maar ik ging ervanuit dat ze ervan geweten had, en dat ze een moment had afgewacht er een punt achter te zetten.
‘Geef me vijf minuten’, zei ze, waarna ze haar huis binnen holde. Er ging van alles door mijn hoofd, ik wist niet meer wat ik moest denken. Haalde ze nu haar man erbij en zou ik straks in elkaar getimmerd worden? Ik wachte nerveus, vijf minuten werden er vijftien, maar het was natuurlijk ook een vrouw.
Uiteindelijk kwam ze dan toch, en ik geloofde mijn ogen niet. Ze zeulde twee reusachtige koffers met zich mee, en toen ze voor me stond liet ze ze dramatisch vallen en ze viel in mijn armen. ‘Ik blijf voor altijd bij je’.

Onderweg naar huis, in haar brandschone, peperdure auto, smste ik mijn huisgenoot wanhopig dat hij gauw mijn vuinis moest verbergen, omdat we eraan kwamen. Ik snapte het allemaal nog niet zo goed. Ze zat nu dan wel eindelijk naast me, precies op de plek waar ik haar altijd had willen hebben, maar het leek me allemaal ineens erg onwerkelijk. Waren we nu echt op weg naar mijn huis, zou ze nu echt bij me blijven?
Ik wist niet wat ik ermee aan moest. Ging er dan ook ineens van alles tussen ons gebeuren? Ik wist niet of ik dat wel durfde, ik kende haar nauwelijks. Was ze nu mijn vriendin?
Na al die maanden van het ophalen en doorzoeken van haar vuilnis, wist ik niet hoe het nu verder moest gaan, maar goed, we moesten er maar het beste van maken.

Een paar ietwat onwennige weken gingen voorbij. Ja, we probeerden leuke dingen te doen en met elkaar te communiceren, maar het kan behoorlijk vreemd zijn om plotseling iedere minuut te spenderen met iemand die je nog nooit hebt gesproken. Toen ik haar vroeg of ze haar kat niet miste, zei ze dat ze dat rotbeest nooit leuk had gevonden en dat vond ik totaal niet in haar plaatje passen. Het meisje wat ik in gedachten had was een lieve dierenvriendin en degene die ik in werkelijkheid bij me had was een koud kreng, maarja, wat had ik dan verwacht? Het was ook nooit goed.
Het werd op den duur nogal lastig ons brood bij elkaar te verdienen, dus ik stelde voor dat ze eens wat meehielp aan het huishouden, maar daar wilde ze niets van weten. Die goede baan van haar was helemaal niets, en ze was verontwaardigd. Ze dacht dat ik alles voor haar overhad. Dus ik ging de straat weer op om vuil te ruimen. Toevallig was ik net ingedeeld in haar oude straat. Net toen ik daar aan de slag was, kwam er een mollige brunette het huis uitgelopen. Ze had een chagrijnige kop en had een vuilniszak in haar handen. Toen ze mij zag kwam ze op me afgelopen en duwde het in mijn handen. ‘Je bent net op tijd. Stomme kutkat schijt aan één stuk door, ik heb ook nooit een minuut rust in dat stomme stinkhuis. Ik haat die vent! Hij doet ook niks.’
Ik geloofde mijn oren niet. Wie was deze vrouw? Was hij uit wanhoop maar gewoon weer verder gegaan met die stomme Clarice? Hoe had hij deze chagrijnige dikzak kunnen verkiezen boven de prachtige blondine die nu bij mij op de bank zat te stralen?
Ik wilde het helder krijgen in mijn hoofd, dus ik besloot haar er maar gewoon naar te vragen. ‘Bent u misschien Clarice?’
Ze keek me aan alsof ik gestoord was. De verbazing droop van haar gezicht. ‘Pardon?’
Er viel even een stilte, want ik begreep niet wat er aan de hand was. Zij ook niet, maar toch ging ze verder. ‘Was het maar zo’n feest. Die prachtige blonde slet hoeft maar even met haar wimpers te knipperen en mijn man likt haar voeten. Maar goed, gelukkig is ze eindelijk met de noorderzon vertrokken. Blijft ze tenminste met haar tengels van hem af. Tonnen heeft hij aan haar uitgegeven, de stinkende aasgier. Hij heeft zelfs een auto voor haar gekocht. Maar ja, hij had vast medelijden met haar. Ze was moederziel alleen en verging bijna van de honger.’

Wat betekende dat Clarice nu bij mij op de bank zat, en dat mijn hele liefde voor haar een leugen was geweest. Ik had het idee verliefd te zijn geweest op de zielige, prachtige, blonde, mysterieuze, rijke en bedrogen vrouw, maar ik had er een mannenstelende aasgier voor in de plaats gekregen. En de zielige bedrogen vrouw in kwestie was een dikke brunette met een chagrijnige rotkop.  Al die keren dat ik haar had bewonderd tijdens het ophalen van de rommel, was het Clarice geweest, die onder werktijd van Everts vrouw stiekem bij hem langs was geweest, en zich vervolgens tegen mij voordeed als Everts’ ex. En ik was er keihard ingestonken, Clarice had meteen een ander nodig gehad nadat ze Evert had gedumpt, die dag dat ik haar tegenkwam om het officieel uit te maken en al haar spullen op te halen. Het was niet eens haar vuilnis die in mijn huis rondslingerde, of misschien maar voor een deel. Als ik me bij dat afval een oude, dikke brunette voorstelde was het toch een stuk minder aantrekkelijk. Vies witlof-wijf.
Waarom koos ze mij? Ik had geen cent te makken. Misschien was dat ook de reden. Clarice hoefde voor mij geen enkele moeite te doen, ik lag voor het oprapen, net als een zak vuilnis, en zo voelde ik me ook.

Krik krak

Ik wist niet of hij het expres deed of niet, maar het kon hem nooit ontgaan zijn dat het heen en weer bewegen van die gammele oude schommelstoel de ruimte van luid gekraak voorzag en dat niemand die meerdere uren per dag in die ruimte moest staan werken daar erg blij van kon worden.
Helaas was het mijn baas die dat gekraak veroorzaakte met zijn dikkige oude lijf iedere keer wanneer hij een beweging maakte, en was ik maar een simpele werknemer die zijn mening koste wat het kost voor zich moest houden, hoe zwaar ik ook op de proef werd gesteld.
Af en toe wierp ik hem een blik toe die hij ook moeilijk niet kon opmerken, als ik hem was geweest had ik hem de hele tijd in mijn richting voelen branden. Hij daarintegen besteedde er geen enkele aandacht aan, of scheen er juist zijn energie uit te putten om eens extra lekker heen en weer te wiebelen en zijn stoel uitbundig te laten kraken.
Het liefst zou ik hem hardhandig zijn stoel uittrekken, zijn dikkige lijf tegen de vloer smijten en dat stomme houten krakende bouwsel kort en klein trappen en vervolgens in de fik steken, maar dat zou me mijn baan kosten, en die kon ik dan jammer genoeg weer niet missen.
Het koste me nu al genoeg moeite leuke cadeautjes voor mijn vriendinnetje te betalen. Mijn cadeaus waren meestal maar van matige kwaliteit en als ik dan eens met een nieuw truitje aankwam was het goedkoop en dan zei ze wel zachtjes dankjewel, maar ondertussen wist ik dat haar gierige hartje naar meer verlange en dat ik haar met mijn maandsalaris nooit gelukkig kon maken, wat cadeautjes betrof.
Wat ook niet erg meehielp was dat haar beste vriendin sterk afstak wanneer ze naast elkaar liepen, met haar peperdure kleren en haar stoere assecoires. Zij was de vrouw van die monsterlijke oude kwal in die schommelstoel en ook al stond ik al het werk te doen en zat hij heen en weer te wippen, toch kon hij het zich veroorloven haar te verwennen en daar moesten ik en mijn vriendinnetje de dupe van zijn. Of nou ja, als ze gewoon haar smoel erover hield was er voor mij niets aan de hand geweest, maar natuurlijk, het was een vrouw, en ik was de man, dus was het mijn taak leuke dingen voor haar te kopen. En ja, als ik dat niet kon waarmaken, dan moest ik daarvoor boeten. Met andere woorden, ik moest dodelijke blikken te verduren krijgen, teleurgestelde zuchten aanhoren en wat nog het allerergste was: de triomfantelijke blikken van de baas die lekker op zijn luie reet zat de godganse dag.

Dat ze zelf nou eens ging werken, dat was er natuurlijk niet bij. Het was een meutige muts die niks kon, ze liet alles vallen en kon niet tegen snauwende mensen, dus wat dat betrof was het niet de sterkste oproepkracht. Maar goed, ik hield van haar, dus vond ik dat ik dat maar voor lief moest nemen, en met staart tussen de benen stond ik stil voor het krakende gevaarte.
‘Lóónsverhoging? Ben je nou helemaal? Zie eerst maar eens dat je je werk goed doet, oelewapper!’ Klachten over de kwaliteit van de snacks die ik dag in dag uit stond klaar te maken had ik echter nooit gehad, ik ploegerde en stond zwetend van het harde werk in de hete keuken, dus er viel niets te klagen, maar ik besefte dat een baas van zijn leeftijd waarschijnlijk niet veel anders te doen had dan een beetje vitten op zijn sloeberige werknemer, en als hij me een loonsverhoging had gegeven zou ik daar beter tegen hebben gekund, en dat was natuurlijk niet de bedoeling, dat was dan ook wel weer te begrijpen.
Toch kon ik niet laten me, met pijn in mijn hart, af te vragen hoe het geweest was als wij tweeën in vrede hadden samengewerkt, en af en toe stomme grapjes over klanten hadden kunnen maken.
Wat mij betrof had die veel te oude kwal het recht niet zich zo verheven te voelen boven iedereen, was zijn vriendinnetje veel te jong en veel te mooi, en wachte ik verheugd op de dag dat hij spartelend van zijn stoel af zou vallen en zou sterven zodat ze samen gecremeerd konden worden. Maar ik wachte maar en wachte maar, en begon me steeds meer af te vragen of die dag ooit wel zou komen, die man leek wel onverwoestbaar.
Hoe oud hij was wist ik niet, ik had ooit een keer de fout gemaakt ernaar te vragen en na me eerst een kwartier de huid vol gescholden te hebben hoe onbeleefd ik wel niet was had hij gezegd: ‘Leeftijd. Puh. Daar doe ik niet aan.’ Dat was iets wat alleen oude mensen konden zeggen, wist ik.

Na die gefaalde poging om om loonsverhoging te vragen ging het werken me niet beter af. Ik had mijn klauwen die dag al drie keer gebrand aan de frituurpan en liep als het maar even kon met mijn vingers in een koud bakje water rond, waardoor ik weer extra halve seconden tijd verloor om te werken.
Om het net nog even een beetje erger te maken, kwamen die dag onze vriendinnetjes langs; die van mijn baas en die van mij, dus. Ze waren natuurlijk in de winkelstraat verderop aan het shoppen en ze moesten centjes hebben. De luidruchtige vriendin van de baas liep vrolijk ons begroetend voorop in haar dure pakje, terwijl mijn vriendin er wat stilletjes achteraanslenterde in een stuk minder indrukwekkende voorkoming. Terwijl haar vriendin op haar baas afhuppelde en hem snel van wat briefgeld wist te ontfutselen, bleef zij wat onzeker in het midden van de winkel staan. Ze wist dat ik haar niks kon geven en dat ik waarschijnlijk op mijn donder kreeg als ik onder werktijd ‘met meiden aan het vozen was’, dus wist ze dat ze beter niet naar me toe kon komen om me een zoen te geven en fatsoenlijk hallo te zeggen.
Ik daarintegen vond dat ik hoe dan ook op mijn donder kreeg en kwam achter de toonbank vandaan, maar voor ik haar bereikt had, duwde hij zijn prinsesje een beetje naar zijn andere knie en de schommelstoel kraakte meer dan ooit tevoren, terwijl hij riep: ‘HO HO HO meneer! Waar denk jij dat je mee bezig bent?!’
Ik bleef verstijfd staan en antwoordde een beetje beschaamd: ‘Hallo zeggen tegen mijn vriendin.’
‘Dat doe je maar lekker in je eigen tijd. Je mag die vriendin van je wel eens beter behandelen, zo ga je toch niet met een mooie dame om? Kijk eens hoe ze erbij loopt man, wil je dat op je geweten hebben?’
Nee, dat zou haar zeker goed doen. Ze voelde zich al als een kamerplant wanneer ze samen met haar jolige vriendin was, en dat wilde hij natuurlijk nog even extra benadrukken.
Ik zag haar gezicht vertrekken, en ik kon niets zeggen om haar beter te laten voelen, wat niet onopgemerkt bleef. ‘Wat sta je daar nou man? Je bent de grootste nietsnut die ik ooit heb gezien. En dat werkt dan bij mij. Wat moet er toch met deze zaak gebeuren als ik de pijp uitga?’ De man had, gek genoeg, helemaal geen famillie meer om voor hem te zorgen, dus storte hij zijn hele bestaan maar op het zitten kraken in zijn zielige bedrijfje waarmee hij nog net genoeg centen verdiende om zijn meisje tevreden te houden, en om zijn resterende tijd maar gevuld te hebben kon hij mij mooi lastigvallen. Klonk als een droom.
Ik liep maar weer terug naar de plek waar ik thuishoorde, achter de balie, terwijl mijn baas zei: ‘Ja, dat zou ik ook doen, ga jij maar weer aan je werk, dan doe je tenminste nog iets goed. Je bent blijkbaar nog niet klaar voor een vriendin’, waarna hij zich tot mijn vriendin wendde en zei: ‘Koop jij ook maar iets leuks voor jezelf’, en hij drukte haar ook een bijzondere stapel briefgeld in de onzeker uitgestoken hand.

Dit was de druppel. Niet alleen stond ik hiermee ongelofelijk voor paal, (“Werknemer laat zijn baas betalen voor vriendin”), maar hiermee verklaarde hij mij tot in de eeuwigheid de oorlog.
Ik kon mijn gezicht niet meer vertonen. De zelfvoldane blik van die oude gek, die zichzelf blijkbaar een hele piet voelde terwijl hij gewoon een oude zeurpiet in een krakende schommelstoel was, de gemixte blik van vermaak en ongeloof op het gezicht van de vriendin van de baas, die hiermee ook in een aardig vreemde positie gezet werd, en de verdenerde maar enigzins gevleide uitdrukking van mijn vriendin, omdat ze zich nu toch kon verheugen op een dag waarop ze kon doen en laten wat ze wilde, zonder als een meisje zonder doel in de stad achter haar vriendin aan te lopen, terwijl die van alles van de rekken graaide en zij alleen maar kon zeggen: ‘oh nee, ik kijk alleen maar..’ terwijl ze beiden dondersgoed wisten dat ze geen geld had.
Moest ik blij zijn voor haar dat ze nu iets leuks kon doen? Ik wist het niet. Had ik moeten zeggen dat ze het geld niet aan mocht nemen? Had ik mijn eigen portomonnee moeten trekken en haar geld moeten geven, en het dan diezelfde week nog komen teruglenen, omdat ik dan geen geld meer zou hebben om van te leven, waarin ze dus in feite toch alles wat ze nu uitgaf zelf betaalde?
Eigenlijk was niets goed, maar dit zeker niet. Hij ging hier niet mee wegkomen.

Wat het nog erger maakte, was dat toen de meiden weg uit de zaak waren, mijn baas zei: ‘we gaan sluiten voor vandaag. Ga maar naar huis, je hebt je voor vandaag wel genoeg voor schut gezet.’
Ik kon er niets tegenin brengen, want het was waar, ik was nu eenmaal een loser, maar was hij niet degene die mij voor schut had gezet? Had ik niet gewoon normaal even met mijn vriendin mogen smoezelen terwijl hij de zijne op zijn schoot had in zijn schommelstoel? Dan was de rest, dat gebeuren in de stad enzo tussen die twee meiden, niet mijn zaak geweest, en ook niet die van hem.
Ik graaide zonder veel terug te zeggen mijn spullen bij elkaar en verliet de zaak, doodmoe van deze zware werkdag, mijn verbrande vingers gloeiden nog een beetje. Misschien droeg het feit dat mijn vingers zich dolgraag om de nek van de baas wilden sluiten en hem te wurgen daaraan mee. Hoe dan ook was ik blij dat ik naar huis kon, om even verlost te zijn, maar het aantreffen van mijn stralende vriendin op de bank met tientallen tasjes om zich heen zoog dat kleine geluksmomentje direct weer weg.
Ik moest de neiging onderdrukken ze weg te grissen en te verbranden, want wie was ik, als zij zich zo graag wilde laten verwennen door een vieze oude knar? Wat had ik daar tegenin te brengen, als ik het zelf niet kon? Als ze maar wist dat het iets eenmaligs was.

Maar dat was het dus niet. Steeds vaker schoof hij haar stiekem ook wat toe, als hij dacht dat ik even niet oplette. Steeds vaker kwam ze thuis met nieuwe kleding, sieraden, schoenen, waarvan ik wist dat ze gefinancieerd werden door een zeker iemand. En op een nacht toen ik haar uitkleedde en ik een veel te sexy setje aantrof onder haar nieuw geurende kledij, sloegen alle stoppen door. Hij ging te ver. Ik heb haar van me af geduwd en ben linea recta naar de zaak gereden, waarop ik eindelijk die verschrikkelijke schommelstoel onder handen nam. Het gekraak was heviger dan ooit tevoren terwijl ik trapte, sprong, en de adrenaline door mijn lijf pompte. Dit was wel het minste wat ik kon doen. Ik wist dat hiermee mijn werkdagen geteld waren, maar ik kon geen moment langer met deze constante vernedering leven.
Niets was erger dan je vriendin te vinden in lingerie die door iemand anders was betaald. Ik kon geen enkele blik, geen enkel pesterig woord meer van hem verdragen.

De ochtend die daarop volgde nam ik niet eens meer de poging om op te staan en op tijd te komen, maar dat was ook niet nodig. De vriendin van de baas stond vroeg op de stoep, huilend, met de mededeling dat die nacht haar man was overleden aan een hartstilstand. Het was thuis gebeurd, rond een uur of één… precies wanneer ik in een vlaag van woede naar de zaak was gereden om de stoel van het leven te beroven.
Ik was de enige die wist wat dit betekende, het leven van de oude man had aan een zijden draadje gehangen, en was even kwetsbaar geweest als dat van de krakende stoel. Ze waren één. Wat betekende dat ik een moordenaar was, en ik was er trots op, hij had het verdiend.

Natuurlijk werd mij gevraagd de zaak over te nemen omdat we daar altijd met zijn tweeën waren, waarmee ik ook meteen genoeg geld had mijn vriendin én die van hem blij te maken met allerlei cadeaus. Ik nam een knechtje aan en behandelde hem net zoals ik behandeld werd, hij was ook gewoon verschrikkelijk stom en onhandig. En terwijl ik op een nieuwe, oerlelijke groene plastic stoel zat te vitten op mijn werknemer besefte ik dat ik geen haar beter was dan mijn voormalige baas, en dat hij tenminste nog een krakende schommelstoel had om anderen in te irriteren. Die van mij maakte geen kik, hij kon niet eens schommelen, en volgens mij lachte mijn werknemer me uit achter mijn rug terwijl hij mijn beide vriendinnen afpikte zonder er ook maar een cent voor tevoorschijn te halen. Ik was een geboren mislukking.

De dag van de grote date

Wekenlang had ik hier naartoe geleefd, en eindelijk was het dan zover: De Grote Dag van De Date!

Eerlijk gezegd had ik geen idee met wie ik had afgesproken, het enige wat ik wist was dat het een ‘intelligente en aardige kennis van mijn soort van vriendin’ was.
Oh, en dat hij Robert-Jan heette.
Ze kwam met het verhaal dat ze toch zó’n leuke date had gehad, en toen kwam er zo’n zeurverhaal waarom ik niet eens ging daten, en dat ze nog een intelligente en aardige kennis voor me wist, en dat een blind-date eigenlijk toch niets voor mij was, en dat ik het toch wel zou verpesten.
En dat was de reden dat ik het wél wilde doen. Ik wilde bewijzen dat ik niet altijd alles verpestte. Snol.
Dan lachte ze er zo’n beetje bij, sloeg een arm om me heen… “Onhandige meid van me! Blijf jij nog maar even alleen!”
Goed bedoeld, dat zal allemaal wel, ja.
Ik zou haar scheinheilige hoofdje wel eens willen zien als Robert-Jan haar vertelde dat hij helemaal ondersteboven van me was.
Daar zat ik dan, in een veel te overdreven prachtige jurk voor zo’n armzalig tentje.
Ja, waarom zou je ook je best doen, veel geld uitgeven voor een eerste date? Je weet niet met wie je hebt afgesproken, wie weet is het wel een ramp. Dan kun je maar beter iets goedkoops doen. Tenminste, zo dacht Robert-Jan blijkbaar.
Ik had me helemaal uitgesloofd, en ik dacht dat mijn soort van vriendin had gezegd dat ik DAT vooral niet moest doen, alleen maar omdat ze wilde dat ik het verpeste. En ik wilde niet naar haar luisteren, dus had ik me wél uitgesloofd.
En nu liep ik dus voor lul. Blijkbaar was ze toch aardiger dan ik dacht.
Ik was ontzettend benieuwd naar de mysterieuze Robert-Jan, maar ik besloot hem alvast een minpunt te geven omdat hij te laat was.
Niet dat ik vaak op tijd kom, of beter gezegd: Soms kom ik gewoon helemaal niet opdagen, maar daar gaat het niet om.
Ik was dit keer op tijd. Niet omdat de date veel voor me betekende, maar enkel alleen om het niet te verpesten. Of misschien moest ik hem juist wel pluspunten geven om zijn te laat komen, omdat ik dat ook altijd kom, en daarom passen we geweldig bij elkaar!
Ik zat dus al eventjes te wachten tot ik het belletje van de zaak hoorde rinkelen. Ik keek achterom, en daar was hij dan.
Het was alsof het in slowmotion gebeurde. Hij kwam naar me toe, en we keken elkaar aan. We keken elkaar aan. We keken elkaar aan.
Zijn sprankelende groene ogen was het enige waar ik oog voor had. Ze leken wel te zingen, zingen voor mij.
Het was alsof ik de hele wereld zag op dat moment. Erg cliché misschien, maar ik verdronk erin. Die dingen gebeuren ook op de wereld, helaas.
Terwijl hij (in slowmotion) op me af liep, bekeek ik de rest van het geheel.
Zijn bruine haren haren zaten nonchalant warrig, hij had een moedervlekje onder zijn oog. Er waren al wat sporen van kraaienpootjes te bekennen.
Zijn neus was van groot formaat, en je weet wat ze daarover zeggen. Maar ja, dat zeggen ze ook weer over handen en voeten, dus ja. Laat maar.
Zijn lijf was gewoonweg perfect, alleen één minpunt, en dat verklaarde de slowmotion, namelijk: hij miste een been.
Toen ik tot die gruwelijke ontdekking kwam, bleef ik maar staren. Er flitsten wel duizenden gedachtes door me heen.
Als we ooit samen een hondje zouden nemen, zou ik hem alleen uit moeten laten. Ik zag ons samen op bed, ik zou al het werk moeten doen.
Hij zag me staren, en hij staarde naar waar ik naar staarde, of nou ja, eigenlijk, waar ik níet naar staarde, want er was niks om naar te staren.
Eindelijk, daar was hij dan. Misschien was hij daarom zo laat, misschien was zijn rolstoel kapot. Misschien kon hij niet opstaan uit de taxi.
Misschien moest een omaatje hem helpen oversteken, en dat ging waarschijnlijk ook niet in een erg rap tempo.
Ik stond op om hem te begroeten, maar er kwam niets in me op. Even was er een stilte, en toen zei ik: “Waarom been je zo laat?”
“Waarom ik zo laat been? Uhm…”
“Ben, bedoel ik.”
“Nee, ik heet Robert-Jan.”
Op dit moment haatte ik mijn vriendin echt. Intelligent en grappig? Dat moest ik dan nog even ontdekken.
“Zouden hier invalideplekken zijn?” flapte ik eruit. Oh, ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan. Ik probeerde het te verzachten en zei:
“Nee hoor, laat maar zitten. Je hoeft niet te gaan kijken. Dat zou een beetje lang duren.”
En toen sloeg ik mezelf echt voor mijn kop.
Hij lachte. Een mooie lach, maar ja, ik dacht aan dat hondje dat ik alleen zou moeten uitlaten. Nee. Trouwens, ik hou niet eens van honden.
Maar samen een hondje nemen, dat doe je nou eenmaal. Misschien was het een beter idee om een schildpad te nemen.
“Ga zitten, Robert-Jan”, zei ik. Hij ging zitten. Als je hem zo zag, aan een tafeltje, en je zag niet wat zich onder de tafel afspeelde, of nou ja, beter gezegd: niet afspelen, want er miste iets, dan zou je in één slag verliefd kunnen zijn.
“Heb je erg lang moeten wachten?” vroeg hij. Ongeveer een uur, dacht ik bij mezelf, maar ik zei het niet.
“Nee hoor, ik was zelf ook te laat”, loog ik. Belachelijk eigenlijk, maar als ik heb moeten wachten op iemand, zeg ik dat ik er net ben. Anders staat het misschien een beetje genant. Alsof ik niets beters te doen heb dan wachten op een invalide vent. Wat in feite ook zo is.
Hij pakte mijn hand en drukte er een kusje op. Schattig. Ik keek in zijn stralende groene ogen, en ik besloot er maar het beste van te maken. Ik zette de beelden van rolstoel-basketbal maar uit mijn hoofd.
We begonnen een beetje een gesprekje. Hij had een leuke, grappige stem, viel me nu op. Maar toch verliet de gedachte aan dat been me maar niet.
Ik besloot het er maar op te wagen, want het zou niet eens zo erg zijn om nog iets te verpesten. Hij kon moeilijk boos weglopen, want dat zou een mislukte scéne zijn geweest. Iemand die boos wegloopt hoort hard weg te stampen, niet als een soort opaatje weg schuifelen.
“Waar is je been?” vroeg ik lomp.
“Ik ging op vakantie naar Amerika en hij vond het zo leuk dat hij niet meer weg wilde. Hij is daar blijven wonen”, was zijn antwoord.
“Ah zo.” Al was mijn vraag hier niet echt mee beantwoord. Of nou ja, letterlijk misschien wel, maar een achterlijke zou nog kunnen bedenken dat er misschien meer achter die vraag zit.
Ik wilde de sappige details horen, waar vast veel bloed aan te pas kwam. Verlamming, amputatie? Een kettingzaag?
Na er even overheen gepraat te hebben, ging hij er toch zelf over verder. “Kettingzaag.”
Aha, dus toch. Driemaal is scheepsrecht, zeggen ze wel eens. Meestal is het niet waar. Als ik als eerst aan een kettingzaag had gedacht, was het dus niet waar geweest.
“Ja, kettingzaag, wie wat waar?” vroeg ik. Ik moest het weten, anders zou ik niet kunnen slapen. Dan zou ik allemaal debiele theorieën hebben bedacht.
“Geflipte ex.”
“Ah zo.”
“Ik zat rustig op de bank naar sesamstraat te kijken, toen zij opeens voor mijn neus stond. Ze zwaaide gevaarlijk met haar kettingzaag, die ze nauwelijks kon dragen. ‘Is het waar?’ vroeg ze. ‘Ben je met haar naar bed geweest?’ Wat grote onzin was, alleen was ze een beetje paranoide, altijd al geweest ook. Dat was eerst de reden dat ik op haar viel, maar nu begon het toch wel griezelige vormen aan te nemen. Ze had het nog wel over mijn kleine nichtje van zeventien. Alsof zij ooit met zo’n oude vent als ik zou gaan, maar goed. Ik kon het niet uit haar hoofd praten, en toen kwam ze dichterbij met de kettingzaag, op mijn been. Het bloed spetterde in het rond, en mijn been lag opeens op de grond. De mooie vloerbedekking naar de haaien.”
Wat een verhaal. “Nooit gedacht aan een kunstbeen? Zo’n houten, als een piraat? Dat zou je vast goed staan.”
“Ja, en een ooglapje. Ik heb een houten been en een ooglapje gehad, maar mijn toenmalige vriendin, die ene na de kettingzaag vriendin, vond dat ik geen kunstbeen verdiende en heeft hem toen doormidden gezaagd. En dat ooglapje was omdat ze met een satéprikker in mijn oog had geprikt. Het traande en het prikte nog dagenlang.”
Deze man was interessant, maar ik was ergens wel bang dat als ik hem de kans gaf, dat ik ook in een zaagmeisje veranderde. Blijkbaar haalt hij het slechtste in de mens naar boven. Ik besloot het er maar op te wagen.
De eerstvolgende keer dat ik mijn vriendin zag, keek ze de hele tijd de andere kant op. Ze was teleurgesteld dat ik niet gefaald was. Het was een groot succes geweest.
Zo heb ik dus mijn man ontmoet. Onze schildpad heet Hond, zodat we toch nog een beetje een hond hebben, en ik hem niet alleen hoef uit te laten.