Krik krak

Ik wist niet of hij het expres deed of niet, maar het kon hem nooit ontgaan zijn dat het heen en weer bewegen van die gammele oude schommelstoel de ruimte van luid gekraak voorzag en dat niemand die meerdere uren per dag in die ruimte moest staan werken daar erg blij van kon worden.
Helaas was het mijn baas die dat gekraak veroorzaakte met zijn dikkige oude lijf iedere keer wanneer hij een beweging maakte, en was ik maar een simpele werknemer die zijn mening koste wat het kost voor zich moest houden, hoe zwaar ik ook op de proef werd gesteld.
Af en toe wierp ik hem een blik toe die hij ook moeilijk niet kon opmerken, als ik hem was geweest had ik hem de hele tijd in mijn richting voelen branden. Hij daarintegen besteedde er geen enkele aandacht aan, of scheen er juist zijn energie uit te putten om eens extra lekker heen en weer te wiebelen en zijn stoel uitbundig te laten kraken.
Het liefst zou ik hem hardhandig zijn stoel uittrekken, zijn dikkige lijf tegen de vloer smijten en dat stomme houten krakende bouwsel kort en klein trappen en vervolgens in de fik steken, maar dat zou me mijn baan kosten, en die kon ik dan jammer genoeg weer niet missen.
Het koste me nu al genoeg moeite leuke cadeautjes voor mijn vriendinnetje te betalen. Mijn cadeaus waren meestal maar van matige kwaliteit en als ik dan eens met een nieuw truitje aankwam was het goedkoop en dan zei ze wel zachtjes dankjewel, maar ondertussen wist ik dat haar gierige hartje naar meer verlange en dat ik haar met mijn maandsalaris nooit gelukkig kon maken, wat cadeautjes betrof.
Wat ook niet erg meehielp was dat haar beste vriendin sterk afstak wanneer ze naast elkaar liepen, met haar peperdure kleren en haar stoere assecoires. Zij was de vrouw van die monsterlijke oude kwal in die schommelstoel en ook al stond ik al het werk te doen en zat hij heen en weer te wippen, toch kon hij het zich veroorloven haar te verwennen en daar moesten ik en mijn vriendinnetje de dupe van zijn. Of nou ja, als ze gewoon haar smoel erover hield was er voor mij niets aan de hand geweest, maar natuurlijk, het was een vrouw, en ik was de man, dus was het mijn taak leuke dingen voor haar te kopen. En ja, als ik dat niet kon waarmaken, dan moest ik daarvoor boeten. Met andere woorden, ik moest dodelijke blikken te verduren krijgen, teleurgestelde zuchten aanhoren en wat nog het allerergste was: de triomfantelijke blikken van de baas die lekker op zijn luie reet zat de godganse dag.

Dat ze zelf nou eens ging werken, dat was er natuurlijk niet bij. Het was een meutige muts die niks kon, ze liet alles vallen en kon niet tegen snauwende mensen, dus wat dat betrof was het niet de sterkste oproepkracht. Maar goed, ik hield van haar, dus vond ik dat ik dat maar voor lief moest nemen, en met staart tussen de benen stond ik stil voor het krakende gevaarte.
‘Lóónsverhoging? Ben je nou helemaal? Zie eerst maar eens dat je je werk goed doet, oelewapper!’ Klachten over de kwaliteit van de snacks die ik dag in dag uit stond klaar te maken had ik echter nooit gehad, ik ploegerde en stond zwetend van het harde werk in de hete keuken, dus er viel niets te klagen, maar ik besefte dat een baas van zijn leeftijd waarschijnlijk niet veel anders te doen had dan een beetje vitten op zijn sloeberige werknemer, en als hij me een loonsverhoging had gegeven zou ik daar beter tegen hebben gekund, en dat was natuurlijk niet de bedoeling, dat was dan ook wel weer te begrijpen.
Toch kon ik niet laten me, met pijn in mijn hart, af te vragen hoe het geweest was als wij tweeën in vrede hadden samengewerkt, en af en toe stomme grapjes over klanten hadden kunnen maken.
Wat mij betrof had die veel te oude kwal het recht niet zich zo verheven te voelen boven iedereen, was zijn vriendinnetje veel te jong en veel te mooi, en wachte ik verheugd op de dag dat hij spartelend van zijn stoel af zou vallen en zou sterven zodat ze samen gecremeerd konden worden. Maar ik wachte maar en wachte maar, en begon me steeds meer af te vragen of die dag ooit wel zou komen, die man leek wel onverwoestbaar.
Hoe oud hij was wist ik niet, ik had ooit een keer de fout gemaakt ernaar te vragen en na me eerst een kwartier de huid vol gescholden te hebben hoe onbeleefd ik wel niet was had hij gezegd: ‘Leeftijd. Puh. Daar doe ik niet aan.’ Dat was iets wat alleen oude mensen konden zeggen, wist ik.

Na die gefaalde poging om om loonsverhoging te vragen ging het werken me niet beter af. Ik had mijn klauwen die dag al drie keer gebrand aan de frituurpan en liep als het maar even kon met mijn vingers in een koud bakje water rond, waardoor ik weer extra halve seconden tijd verloor om te werken.
Om het net nog even een beetje erger te maken, kwamen die dag onze vriendinnetjes langs; die van mijn baas en die van mij, dus. Ze waren natuurlijk in de winkelstraat verderop aan het shoppen en ze moesten centjes hebben. De luidruchtige vriendin van de baas liep vrolijk ons begroetend voorop in haar dure pakje, terwijl mijn vriendin er wat stilletjes achteraanslenterde in een stuk minder indrukwekkende voorkoming. Terwijl haar vriendin op haar baas afhuppelde en hem snel van wat briefgeld wist te ontfutselen, bleef zij wat onzeker in het midden van de winkel staan. Ze wist dat ik haar niks kon geven en dat ik waarschijnlijk op mijn donder kreeg als ik onder werktijd ‘met meiden aan het vozen was’, dus wist ze dat ze beter niet naar me toe kon komen om me een zoen te geven en fatsoenlijk hallo te zeggen.
Ik daarintegen vond dat ik hoe dan ook op mijn donder kreeg en kwam achter de toonbank vandaan, maar voor ik haar bereikt had, duwde hij zijn prinsesje een beetje naar zijn andere knie en de schommelstoel kraakte meer dan ooit tevoren, terwijl hij riep: ‘HO HO HO meneer! Waar denk jij dat je mee bezig bent?!’
Ik bleef verstijfd staan en antwoordde een beetje beschaamd: ‘Hallo zeggen tegen mijn vriendin.’
‘Dat doe je maar lekker in je eigen tijd. Je mag die vriendin van je wel eens beter behandelen, zo ga je toch niet met een mooie dame om? Kijk eens hoe ze erbij loopt man, wil je dat op je geweten hebben?’
Nee, dat zou haar zeker goed doen. Ze voelde zich al als een kamerplant wanneer ze samen met haar jolige vriendin was, en dat wilde hij natuurlijk nog even extra benadrukken.
Ik zag haar gezicht vertrekken, en ik kon niets zeggen om haar beter te laten voelen, wat niet onopgemerkt bleef. ‘Wat sta je daar nou man? Je bent de grootste nietsnut die ik ooit heb gezien. En dat werkt dan bij mij. Wat moet er toch met deze zaak gebeuren als ik de pijp uitga?’ De man had, gek genoeg, helemaal geen famillie meer om voor hem te zorgen, dus storte hij zijn hele bestaan maar op het zitten kraken in zijn zielige bedrijfje waarmee hij nog net genoeg centen verdiende om zijn meisje tevreden te houden, en om zijn resterende tijd maar gevuld te hebben kon hij mij mooi lastigvallen. Klonk als een droom.
Ik liep maar weer terug naar de plek waar ik thuishoorde, achter de balie, terwijl mijn baas zei: ‘Ja, dat zou ik ook doen, ga jij maar weer aan je werk, dan doe je tenminste nog iets goed. Je bent blijkbaar nog niet klaar voor een vriendin’, waarna hij zich tot mijn vriendin wendde en zei: ‘Koop jij ook maar iets leuks voor jezelf’, en hij drukte haar ook een bijzondere stapel briefgeld in de onzeker uitgestoken hand.

Dit was de druppel. Niet alleen stond ik hiermee ongelofelijk voor paal, (“Werknemer laat zijn baas betalen voor vriendin”), maar hiermee verklaarde hij mij tot in de eeuwigheid de oorlog.
Ik kon mijn gezicht niet meer vertonen. De zelfvoldane blik van die oude gek, die zichzelf blijkbaar een hele piet voelde terwijl hij gewoon een oude zeurpiet in een krakende schommelstoel was, de gemixte blik van vermaak en ongeloof op het gezicht van de vriendin van de baas, die hiermee ook in een aardig vreemde positie gezet werd, en de verdenerde maar enigzins gevleide uitdrukking van mijn vriendin, omdat ze zich nu toch kon verheugen op een dag waarop ze kon doen en laten wat ze wilde, zonder als een meisje zonder doel in de stad achter haar vriendin aan te lopen, terwijl die van alles van de rekken graaide en zij alleen maar kon zeggen: ‘oh nee, ik kijk alleen maar..’ terwijl ze beiden dondersgoed wisten dat ze geen geld had.
Moest ik blij zijn voor haar dat ze nu iets leuks kon doen? Ik wist het niet. Had ik moeten zeggen dat ze het geld niet aan mocht nemen? Had ik mijn eigen portomonnee moeten trekken en haar geld moeten geven, en het dan diezelfde week nog komen teruglenen, omdat ik dan geen geld meer zou hebben om van te leven, waarin ze dus in feite toch alles wat ze nu uitgaf zelf betaalde?
Eigenlijk was niets goed, maar dit zeker niet. Hij ging hier niet mee wegkomen.

Wat het nog erger maakte, was dat toen de meiden weg uit de zaak waren, mijn baas zei: ‘we gaan sluiten voor vandaag. Ga maar naar huis, je hebt je voor vandaag wel genoeg voor schut gezet.’
Ik kon er niets tegenin brengen, want het was waar, ik was nu eenmaal een loser, maar was hij niet degene die mij voor schut had gezet? Had ik niet gewoon normaal even met mijn vriendin mogen smoezelen terwijl hij de zijne op zijn schoot had in zijn schommelstoel? Dan was de rest, dat gebeuren in de stad enzo tussen die twee meiden, niet mijn zaak geweest, en ook niet die van hem.
Ik graaide zonder veel terug te zeggen mijn spullen bij elkaar en verliet de zaak, doodmoe van deze zware werkdag, mijn verbrande vingers gloeiden nog een beetje. Misschien droeg het feit dat mijn vingers zich dolgraag om de nek van de baas wilden sluiten en hem te wurgen daaraan mee. Hoe dan ook was ik blij dat ik naar huis kon, om even verlost te zijn, maar het aantreffen van mijn stralende vriendin op de bank met tientallen tasjes om zich heen zoog dat kleine geluksmomentje direct weer weg.
Ik moest de neiging onderdrukken ze weg te grissen en te verbranden, want wie was ik, als zij zich zo graag wilde laten verwennen door een vieze oude knar? Wat had ik daar tegenin te brengen, als ik het zelf niet kon? Als ze maar wist dat het iets eenmaligs was.

Maar dat was het dus niet. Steeds vaker schoof hij haar stiekem ook wat toe, als hij dacht dat ik even niet oplette. Steeds vaker kwam ze thuis met nieuwe kleding, sieraden, schoenen, waarvan ik wist dat ze gefinancieerd werden door een zeker iemand. En op een nacht toen ik haar uitkleedde en ik een veel te sexy setje aantrof onder haar nieuw geurende kledij, sloegen alle stoppen door. Hij ging te ver. Ik heb haar van me af geduwd en ben linea recta naar de zaak gereden, waarop ik eindelijk die verschrikkelijke schommelstoel onder handen nam. Het gekraak was heviger dan ooit tevoren terwijl ik trapte, sprong, en de adrenaline door mijn lijf pompte. Dit was wel het minste wat ik kon doen. Ik wist dat hiermee mijn werkdagen geteld waren, maar ik kon geen moment langer met deze constante vernedering leven.
Niets was erger dan je vriendin te vinden in lingerie die door iemand anders was betaald. Ik kon geen enkele blik, geen enkel pesterig woord meer van hem verdragen.

De ochtend die daarop volgde nam ik niet eens meer de poging om op te staan en op tijd te komen, maar dat was ook niet nodig. De vriendin van de baas stond vroeg op de stoep, huilend, met de mededeling dat die nacht haar man was overleden aan een hartstilstand. Het was thuis gebeurd, rond een uur of één… precies wanneer ik in een vlaag van woede naar de zaak was gereden om de stoel van het leven te beroven.
Ik was de enige die wist wat dit betekende, het leven van de oude man had aan een zijden draadje gehangen, en was even kwetsbaar geweest als dat van de krakende stoel. Ze waren één. Wat betekende dat ik een moordenaar was, en ik was er trots op, hij had het verdiend.

Natuurlijk werd mij gevraagd de zaak over te nemen omdat we daar altijd met zijn tweeën waren, waarmee ik ook meteen genoeg geld had mijn vriendin én die van hem blij te maken met allerlei cadeaus. Ik nam een knechtje aan en behandelde hem net zoals ik behandeld werd, hij was ook gewoon verschrikkelijk stom en onhandig. En terwijl ik op een nieuwe, oerlelijke groene plastic stoel zat te vitten op mijn werknemer besefte ik dat ik geen haar beter was dan mijn voormalige baas, en dat hij tenminste nog een krakende schommelstoel had om anderen in te irriteren. Die van mij maakte geen kik, hij kon niet eens schommelen, en volgens mij lachte mijn werknemer me uit achter mijn rug terwijl hij mijn beide vriendinnen afpikte zonder er ook maar een cent voor tevoorschijn te halen. Ik was een geboren mislukking.

Het moderne huishouden

Een opdracht die ik voor Maatschappijleer heb gemaakt. 

Zou je een eeuw geleden een willekeurig famillieportret voor je neus krijgen, dan zou je waarschijnlijk precies weten hoe de vork in de steel zat.
De vader, die voor brood op de plank zorgde, de moeder die datzelfde brood keurig iedere morgen op de ontbijttafel neerzette, om maar één van haar vele huishoudelijke taken te noemen. Tussen hen in zitten hun kinderen, compleet van eigen vlees en bloed.
Tegenwoordig is dat heel anders. Bij het zien van een famillieportret weet je niet meer zeker welke van de twee volwassenen nu het geld verdient en wie voor het huishouden zorgt, of dat ze misschien allebei werken en hun werkster of misschien hun kinderen het huishouden laten doen.
Het is ook niet meer vanzelfsprekend dat die kinderen van beide ouders zijn en of ze wel volledig verwant zijn aan hun broers of zussen. Of ze uberhaupt verwant zijn aan elkaar.

Het kan bijvoorbeeld heel goed dat, terwijl de vrouw hard aan het werk is, haar zoon uit haar vorige huwelijk naar zijn biologische vader gebracht moet worden, hij is namelijk ieder weekend daar, dat is de regeling die ze getroffen hebben na hun scheiding. Dat mag haar nieuwe man dan fijntjes gaan doen, hoe vervelend en ongemakkelijk hij dat klusje ook vindt.
Eenmaal bij het huis van zijn vader aangekomen zegt hij zijn stiefvader en halfzusje, die naast hem in een kinderstoeltje in de auto zit gedag, een beetje verdrietig. Eigenlijk heeft hij geen zin om naar zijn vader te gaan, want hij vindt zijn nieuwe vriendin en stiefbroers niet aardig en hij wil liever zijn weekend doorbrengen met zijn halfzusjes. Hij is ook een beetje jaloers, want zij zijn nu al die tijd samen en hij valt er een beetje buiten.
De klasgenoot die ik interviewde woont ook met zijn twee broertjes en zijn moeder in een huis, zijn ouders zijn gescheiden en hij heeft ook te maken met halfzussen en stiefbroers. Zijn stiefbroertje ziet hij het liefst zo min mogelijk omdat hij hem niet uit kan staan.
Allemaal situaties waar ouders en kinderen van tegenwoordig mee te maken kunnen krijgen. Waar het vroeger nog allemaal simpel en duidelijk was in een gezin, is het nu heel anders. Ouders scheiden sneller van elkaar en kinderen krijgen ineens te maken met ‘nieuwe ouders’ en ‘nieuwe broers of zussen’, of ze dat nu willen of niet. Voor de kinderen en de ouders is het beide moeilijk. Maar waarom scheiden mensen dan van elkaar, terwijl ze jaren daarvoor een belofte aan elkaar hebben gedaan?

Vroeger kwamen scheidingen nauwelijks voor. Er lag een taboe op. Tegenwoordig is het zeldzaam om op je zeventigste nog bij elkaar te zijn als je op je dertigste een keer trouwt. Maar wat is er in die tijd dan zo veranderd? Denken mensen niet meer na voordat ze trouwen? Geven ze het eerder op?
Natuurlijk kun je, voor je een huwelijk instapt, nooit precies weten welke kant het opgaat, maar toch is het opvallend dat een scheiding veel vaker voorkomt dan vroeger.
Het feit dat veel vrouwen tegenwoordig een carriére hebben, in tegenstelling tot vroeger, zou hier goed in kunnen meespelen. Waar ze vroeger nog afhankelijk waren van hun man, staan ze nu op hun eigen benen en kunnen ze het zich veroorloven bij hun man weg te gaan. Een man kan zijn vrouw makkelijker aan de kant zetten omdat ze toch wel voor zichzelf kunnen zorgen. Het hoeft niet persee de reden te zijn, maar het kan. Misschien dat de overgeromantiseerde films die in de omloop zijn er mee te maken hebben. Blijkt je huwelijk na een aantal jaar aardig te zijn uitgeblust en helemáál niet zoals in de film, verbreek je hem weer, net zo makkelijk.
Natuurlijk is het ieders eigen keus om te trouwen en te scheiden wanneer ze dat willen, als er maar een beetje rekening wordt gehouden met eventuele kinderen. Voor sommige jongeren is de scheiding van hun ouders heel zwaar. Natuurlijk is tussen constant ruzie makende ouders zitten ook geen pretje. Als er maar wat meer moeite voor een huwelijk wordt gedaan dan bij de eerste de beste tegenslag het meteen op een echtscheiding aan te laten komen.
Trouwen hoort een weloverwogen keuze te zijn, iets waar je voor vecht, samen met degene aan wie je belooft hebt voor de rest van je leven samen te zijn. Ik ben benieuwd hoeveel trouwende stellen tegenwoordig nog daadwerkelijk geloven dat ze de rest van hun leven samen blijven wanneer ze elkaar die belofte doen. Een stuk minder dan vroeger in ieder geval.

Of scheiden iets goeds of iets slechts is, dat weet ik niet. Dat is een keuze die iedereen zelf moet maken, als ze er maar goed over na hebben gedacht. Zelf heb ik nooit veel moeite gehad met het uit elkaar gaan van mijn ouders, maar ik was oud genoeg om te beseffen dat ze beiden gelukkiger konden zijn dan dat ze waren net voordat ze na twintig jaar uit elkaar gingen. Natuurlijk had ik mijn vader nog graag bij me in huis gehad, maar de vriend die mijn moeder daarna kreeg heeft me een prachtig halfzusje opgeleverd die ik voor geen goud zou willen missen. Toch bleek het na een paar jaar niet te werken tussen hen en inmiddels woont mijn moeder bij haar nieuwe vriend met mijn halfzusje en mijn twee stiefzusjes, met wie ik ook heel blij ben.
Mijn famillieportret zou er een eeuw geleden voor anderen heel raar uitzien, met (ex)stiefvaders, stiefmoeders en stiefzusjes meegerekend, maar is tegenwoordig heel normaal. Een modern huishouden.